Josie Bassett zet met een plofje twee witte kinderschoenen op haar keukentafel. Ze zien er verweerd en ouderwets uit, komen uit een vervlogen tijdperk waarin babymeisjes kanten jurkjes droegen. En schattige witte schoentjes. „Deze had Mari aan toen ik haar weggaf. Toen we weer contact legden, gaf ze mij de schoenen terug. Ik zie haar nog zo rondrennen op het vliegveld met die schoentjes. Trip trip trip, die beentjes van haar waren zo snel.”
Josie is een kleine gebogen vrouw, haar gitzwarte ogen staan in een rimpelig gezicht. Met moeite staat ze op om thee te zetten, steun zoekend bij tafel en aanrecht. Achtenveertig jaar geleden kwam Josie terecht in de Bessboro Home in Cork, een ’Magdalene’ klooster in Ierland, vanwege haar buitenechtelijke kind. Toen haar dochter Mari anderhalf was, stond ze haar af aan een katholiek Amerikaans stel.
Josie was één van de naar schatting 30.000 vrouwen die in de twintigste eeuw opgesloten werden in kloosters omdat ze ongehuwd zwanger waren, maar ook als ze mooi waren, of te wild en onbeheerst. Als ze een ’moreel gevaar voor de gemeenschap’ werden bevonden, dan kon de familie, politie of kerk hen naar het klooster sturen. Naar het voorbeeld van de bijbelse hoer Maria Magdalena deden de vrouwen boete voor hun zonden in de kloosters. Zij reinigden hun ziel en de lakens die zij schrobden in de Magdalene laundries, de stomerijen, wat een voorname bron van inkomsten was voor de kerk. Het ging er niet zachtzinnig aan toe: vrouwen werden mishandeld en verkracht, hun kinderen veelal zonder toestemming ’weggeadopteerd’. De vrouwen zaten feitelijk gevangen, wisten niet of en wanneer ze weg mochten en kregen een andere naam, wat het vrijwel onmogelijk maakte een vrouw terug te vinden.
De situatie van deze ’gevallen vrouwen’ lijkt op de lotgevallen van duizenden kinderen die beschreven staan in het onlangs gepubliceerd rapport over de grootschalige mishandeling van kinderen in zogenoemde industrial schools –internaten– in Ierland. In de periode 1930 tot 1980 moesten ook zij dwangarbeid verrichten, ook zij werden fysiek, mentaal en seksueel misbruikt, en afgesneden van contact met familieleden. Maar hoewel de vrouwen en meisjes in de Magdalene kloosters eenzelfde vorm van vernedering en uitbuiting ondergingen, mochten zij niet getuigen voor de Commissie voor Onderzoek naar Kindermisbruik en evenmin kunnen zij aanspraak maken op schadevergoeding. In 2003 stelde de voorzitter van de commissie, de hoge rechter Sean Ryan, dat de ’Maggies’ buiten het mandaat van zijn commissie vielen, omdat de Magdalene kloosters niet aan de staat waren gelieerd.
„Bespottelijk” vindt Mari Steed, de dochter van Josie en oprichter van de actiegroep Justice for Magdalenes, met 272 leden. „Kerk en staat waren verstrengeld. Vrouwen die opgesloten werden in kloosters, waren net als de kinderen onderworpen aan slavernij en marteling,” zegt Steed stellig aan de telefoon vanuit Philadelphia. In 2001, veertig jaar na haar adoptie, leerde Steed over de geschiedenis van de gevallen vrouwen in Ierland, toen ze na een lange zoektocht haar biologische moeder vond. Via privédetectives en genealogische deskundigen kwam ze er achter dat Josie in het Zuid-Engelse Swindon woonde.
De verhalen van de Magdalene vrouwen waren lange tijd een verborgen geschiedenis. Vanwege schuld en schaamte – typische katholieke reflexen – werd er niet over gesproken. Dat veranderde in 1993 toen de Sisters of Our Lady of Charity of Refuge hun klooster en een omliggend stuk land in Noord Dublin verkochten aan een project-ontwikkelaar. Onderdeel van de overdracht was de verplaatsing van 133 graven naar een begraafplaats. De opgraving werd gestaakt toen bleek dat er 22 niet geregistreerde vrouwen begraven lagen. Van de vrouwen die wel op de lijst stonden, hadden maar 75 een reguliere, en dus legale, overlijdensakte. Met de rest was wat aan de hand; sommige vrouwen werden uitsluitend vermeld met een bijbelse naam, verder niets. Doodsoorzaken waren niet vermeld, data kwamen niet overeen. Hoewel het niet of slecht registreren van overledenen in Ierland een misdrijf is, verleende het ministerie zonder morren extra vergunningen om de ongeregistreerde vrouwen te laten cremeren. De publieke verontwaardiging die hierop volgde, leidde tot een stroom van artikelen, documentaires, speelfilms en boeken over de Magdalene vrouwen.
„Je heet nu Philomena, zeiden ze tegen me.” Josie roert in haar kop thee. De schoentjes zijn weer opgeborgen in een kast. „Ik antwoordde: nee, mijn naam is Josie. Maar ze luisterden niet.”. Josie had een getrouwde man leren kennen tijdens een dansavond in Dublin. Ze kregen een relatie en kort daarna was ze zwanger. „Hij wilde met me trouwen, maar ik niet met hem. Hij hield te veel van de drank.” Een vriendin raadde haar aan onderdak te zoeken bij een van de vele kloosters in Ierland die zorg droegen voor vrouwen en kinderen. Josie voelde daar weinig voor. „Kloosters en nonnen, ik haatte ze. Maar ik kreeg een ernstige vorm van zwangerschapsvergiftiging en belandde in het ziekenhuis. Van daaruit werd ik overgeplaatst naar Bessboro.”
In het klooster van de Sacred Heart nonnen was het leven hard. „Ik lag voor en na de bevalling doodziek in bed, maar de nonnen stonden er op dat ik bleef werken. Samen met de andere vrouwen borduurde en naaide ik tafellakens, beddengoed, servetten. Wij kregen geen cent, het ging allemaal naar de kerk.” Maar wat Josie na al deze jaren het meest dwars zit, zijn ’de naalden’. „Elke ochtend stonden we in de rij voor de badkamer. De baby’s werden gewogen en dan injecteerden de nonnen hen. Waarmee, dat vertelden ze ons niet. Mijn baby stopte maar niet met huilen nadat ze was geprikt.
bron: http://www.trouw.nl/achtergrond/deverdi ... land_.html
Hier kan ik nou echt boos om worden