Is overigens een FTer bekend met dat fundamentalistische 'Tijdschrift van de Evangelische Hogeschool' Bijbel & Wetenschap, oorspronkelijk opgezet door de heren Ouweneel en Van Delden? Ik heb de stapel gevonden en heb zelfs al gevonden waar ik naar zocht. Niet gek zo'n geheugen: het stond in een blad dat verscheen in 1979! Met op de omslag een foto van Uri Geller die lepeltjes ombuigt. Maar da's een ander verhaal...Rereformed schreef:Ik vind het leuk deze redenering weer eens te horen. In de 70-er jaren heeft meneer Ouweneel mij met exact die redeneringen bewerkt. Ik herinner het me nog goed. Ik hoorde het op lezingen van hem en kan het misschien nog eens terugvinden in mijn oude lijfblad Bijbel & Wetenschap, waar het altijd keurig stond.Egbert schreef:Terwijl alle 'schijn' (understatement) er van is, dat het DNA net als ieder stuk software, een prachtig stuk bedacht vernuft is, dat niet slechts te verklaren is met 'insertions en deletions' + natuurlijke selectie.
Interessant te horen dat iemand met de achtergrond van jou met dezelfde redeneringen aankomt.
Ik had een abonnement op Bijbel en Wetenschap vanaf het eerste jaar, 1976 tot en met 1984. Ze zijn vast goud waard voor de liefhebbers, want fundamentalisme zit in het slop tegenwoordig.
Welnu, in deel drie van een serie getiteld 'Oorsprongen: de oorsprong van het leven', december 1979, schrijft de jonge meneer Ouweneel:
"Zijn er dan geen uitzonderingen op de regel dat de entropie steeds toeneemt ? [tweede hoofdwet van de thermodynamica, troeteldier van alle creationisten
Wat ontbreek nog aan het geheel? Er ontbreekt 'intelligentie': een 'programma' dat materie en energie samen omhoog organiseert naar een hoger niveau van orde, complexiteit en informatie-inhoud. In feite is dat heel eenvoudig: om naar een hoger niveau van informatie-inhoud te klimmen moet men informatie in het systeem stoppen. Hogere informatie in een systeem ontstaat uit materie plus energie plus informatie - en wij kennen in deze wereld geen enkele informatie zonder 'intelligentie'. Hier ligt het kernprobleem, ook bij het ontstaan van het leven. Een voorbeeld: ik heb een gewoon horloge dat zichzelf niet kan opwinden, hoewel ik door mijn armbewegingen voortdurend energie aan mijn horloge toedien. Waarom kan mijn horloge niet wat een automatisch horloge wél kan? Omdat een automatisch horloge een mechanisme bezit dat de verscheidenheid aan bewegingen (die ik met mijn arm het horloge laat ondergaan) sorteert of gelijkricht. Deze gelijkrichter is een 'computer' in zijn allersimpelste vorm: hij bevat een 'programma' waardoor hij 'ja' kan zeggen tegen de ene beweging en 'nee' tegen de tegengestelde beweging. Door een voortdurende reeks beslissinkjes 'ja' en 'nee', oftewel een voortdurende sortering van gemaakte bewegingen, is het horloge dus in staat zich d.m.v. toevallige beweging op te winden, oftewel de entropie plaatselijk te doen afnemen.
Maar nu komen we op het beslissende punt: wie heeft ooit de vervaardiging van zo'n 'denkapparaat' (gelijkrichter, ventiel, computer) gezien zónder de medewerking van een bepaalde intelligentie, een brein? Anders gezegd: waar was het brein dat de eerste gelijkrichter vervaardigde om uit de duizenden chemische reakties in de materie het eerste leven te doen ontstaan? Het is immers een feit dat de biochemie die achter het leven staat, zelf een dergelijke gelijkrichter niet kent. Organisch-chemische reaktie zijn reversibel, dwz ze kunnen zowel in de ene als in de tegenovergestelde richting verlopen. Voor de verklaring van het eerste leven zou men dus een gelijkrichter moeten kunnen aanwijzen, die er steeds voor zorgt dat de chemische reakties 'naar boven' verlopen en niet naar beneden. Deze gelijkrichter ontbreekt in de levenloze natuur. Toeval, oftewel de eigenschappen van de materie zelf, hebben nog nooit een gelijkrichter, een denkapparaat, voortgebracht."
Welnu, dames en heren evolutionisten, u kunt hier uw tanden in bijten. Als ik het zo kort mogelijk samenvat dan geeft Ouweneel hier als de beste evolutionist het zou kunnen doen een prachtige uiteenzetting van het principe van natuurlijke selectie. Maar hij beweert dus dat dit principe niet opgaat voor de levenloze natuur.
Maar ik zou Ouweneel allereerst toeroepen wat Destinesia meteen aan Egbert toeriep: wie heeft het goddelijke denkapparaat dan voortgebracht, indien alle toegevoegde informatie (gelijkrichters, computers) een 'brein' nodig heeft? De redenering van Ouweneel is dus lek zodra je vragen gaat stellen aangaande het bestaan van zijn God: zijn God is volgens zijn eigen redenering juist het toppunt van onmogelijkheid, want het is het absolute summum van "hoger niveau van orde, complexiteit en informatie-inhoud", waarvoor Ouweneel nu net zegt een intelligentie nodig te hebben om te laten ontstaan!
En indien dát voor Ouweneel geen probleem is, dan is een principe van natuurlijke selectie, waar in slakkengang steeds een minuscule hoeveelheid entropie afneemt (georganiseerdheid toeneemt) in de levenloze natuur in ieder geval een oneindig kleiner probleem.