Re: Niet te geloven - recensie van Rereformed
Geplaatst: 07 jul 2019 22:47
(Hoofdstuk 6: Lijdensverhaal en verrijzenis, vervolg)
Het proces
In deze paragraaf blinkt Van Peer uit in helderheid. Natuurlijk kan men hier opmerken dat dit uitputtend door Joodse en christelijke critici uiteengezet is en men het in vele boeken over de evangeliën kan nalezen.
Om te beginnen kan iedere leek die het evangelieverhaal leest al zo zijn twijfels krijgen door op te merken dat een rechtszaak op de pesachmaal avond onmogelijk is. En nog erger: hier wordt verteld wat er woordelijk tijdens het verhoor werd gezegd, terwijl niemand van Jezus’ volgelingen erbij was. Marcus laat horen dat de leden van het sanhedrin unaniem van mening waren dat Jezus de doodstraf verdiende, en dus kan men één van die personen moeilijk laten opdraven als latere bronnen voor het christelijke verhaal. De evangelieschrijver schrijft hier als een alleswetende romanschrijver die eenvoudig alles uit zijn eigen duim verzint. Hetzelfde kan gezegd worden van Jezus’ gebed in Gethsemane, of het verhaal van de verzoeking in de woestijn.
De geseling en de kruisiging
Aan hoe geseling (die in de evangeliën met één zin wordt vermeld) en kruisiging in de Romeinse tijd uitgevoerd werd, besteedt Van Peer wel liefst 12 pagina’s. Het lezen ervan is voor mij een bijna onmogelijke opgave, zoals ooit eerder de Mel Gibson film over de passie van Jezus onmogelijk was om naar te gaan kijken. Aan de martelingen en stromen van bloed komt geen eind. Ik krijg exact hetzelfde gevoel als ooit dertien jaar geleden: ”De film heeft geen enkele relatie met de werkelijkheid, want in werkelijkheid zou een mens na tien minuten Mel-Gibson-film al bewusteloos of morsdood zijn. Maar in de film gaat het martelen en verwonden wel twee uur lang door.”
De beschrijving die ik onder ogen krijg van Van Peer komt zo ongeveer overeen met wat men in die film kan bekijken.
Ik vraag me steeds af waarom Van Peer aan deze beschrijving van geseling en kruisiging twaalf bladzijden schenkt. Uiteraard wil hij duidelijk maken dat alle christelijke beeldende kunst de afschrikwekkendheid ervan nooit heeft uitgebeeld:
Maar goed, na twaalf pagina’s kijkt de lezer de rest van het leven met een hoop opperste verbazing naar alle gouden en zilveren kruisjes die men om de nek van menigeen om zich heen ziet hangen als mooie versiering.
Op de laatste pagina van de beschrijving van horror komt Van Peer weer terug op zijn lievelingsbezigheid vliegen met een vliegenmepper dood te slaan, het aanwijzen van sprookjesingrediënten in het verhaal: ”Een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit”:
Merkwaardigerwijze maakt Van Peer geen opmerking over het verhaal dat het geloof van zelfs de meest geoefende goedgelovigen op de proef stelt *, waarvoor Robert Price de kop ”The March of the Zombies” bedacht heeft. Een nieuwe vondst van top fiction producer Matteüs: een aardbeving die gepaard gaat met de opwekking van een heel kerkhof heiligen, die vervolgens door Jeruzalem lopen.
* Mike Licona, een bekende christelijke (Southern Baptist) apologeet die publieke debatten voert over de verrijzenis van Jezus, werd gedwongen zijn aanstellingen als research professor op het Southern Evangelical Seminary en Coördinator voor de North American Mission Board op te geven, nadat hij in zijn boek The Resurrection of Jesus (2010) geschreven had dat "dit vreemde fragment" misschien gelezen moet worden als metaforische apocalytische beeldspraak.
De verrijzenis
Het geloof in de opstanding van Jezus verklaart Van Peer via wat in de psychologie bekend staat als de poging om cognitieve dissonantie op te heffen:
Van Peer beperkt zich door op te merken dat diverse verschijningsverhalen slechts één keer vermeld worden:
Van Peer heeft ook uitgelegd dat we ”met het evangelie van Johannes het verst verwijderd zijn van de historische feiten”. Dit evangelie dan een bron te noemen heeft net zo weinig pas als wanneer men het Nag Hammadi geschrift De Wijsheid van Jezus Christus een bron zou noemen voor de leringen van de opgestane Jezus.
Van Peer vergeet het evangelie van Petrus te noemen, waarvan nog een fragment is overgebleven, juist een gedeelte waar over de opstanding en leeg graf wordt gesproken. Toegegeven, op het punt dat Jezus uit de dood opstaat en geholpen wordt door engelen om overeind te blijven en naar de hemel te vliegen, leest het alsof je een stripverhaal over Spiderman leest, maar we hebben er weer een aparte bron bij! Ditmaal zijn de Romeinse soldaten die op wacht stonden er getuige van! Plus nog een centurion! En nog Joodse oudsten!
Eén bron is volgens Lendering geen bron, maar bij vijf christelijke bronnen begin je je af te vragen of je ook maar moet concluderen dat het gelijk staat aan geen bron. Want het woord 'bron' is hier gedegradeerd tot betekenisloos.
Van Peer houdt zich nog druk bezig met hoeveel vrouwen er nu getuigen van waren, hoeveel jonge mannen er in of bij het graf waren, of waren het engelen, en of Petrus en Johannes nu wel of niet naar het lege graf kwamen, waarna hij uitspreekt:
Kijk, als men op basis hiervan meent te moeten twijfelen aan die verrijzenis, en dus vergeet op te merken dat het sterkste argument om er niet in te geloven is dat dode mensen niet levend worden, laat staan iemand die tot pulp werd vermaald, en dat zelfs als er ooggetuigeverslagen van honderd mensen van zouden bestaan, dat argument niet omver gekegeld zou zijn, is men wel heel erg verdwaald in de bijbelwetenschap of wie weet de diepste spelonken van de geschiedkundige methode.
Het wordt tijd voor Willie van Peer om de bijbel nu maar een poosje dicht doen en eens een frisse boswandeling te maken.
Het proces
In deze paragraaf blinkt Van Peer uit in helderheid. Natuurlijk kan men hier opmerken dat dit uitputtend door Joodse en christelijke critici uiteengezet is en men het in vele boeken over de evangeliën kan nalezen.
Om te beginnen kan iedere leek die het evangelieverhaal leest al zo zijn twijfels krijgen door op te merken dat een rechtszaak op de pesachmaal avond onmogelijk is. En nog erger: hier wordt verteld wat er woordelijk tijdens het verhoor werd gezegd, terwijl niemand van Jezus’ volgelingen erbij was. Marcus laat horen dat de leden van het sanhedrin unaniem van mening waren dat Jezus de doodstraf verdiende, en dus kan men één van die personen moeilijk laten opdraven als latere bronnen voor het christelijke verhaal. De evangelieschrijver schrijft hier als een alleswetende romanschrijver die eenvoudig alles uit zijn eigen duim verzint. Hetzelfde kan gezegd worden van Jezus’ gebed in Gethsemane, of het verhaal van de verzoeking in de woestijn.
Dit is inderdaad een zo opvallende miskleun dat ik er vroeger als gelovige mee in de knoop zat. Als roman komt het verhaal hier tot een hoogtepunt. De hogepriester vraagt aan Jezus: ”Bent u de messias, de zoon van de gezegende?” (Mc. 16:61). Waarop Jezus antwoordt: ”Dat ben ik, en u zult de Zoon des Mensen aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en hem zien komen op de wolken van de hemel”. (Jezus geeft hier een verwijzing naar de passage in het boek Daniël, die door de schriftgeleerden werd uitgelegd als een tekst die slaat op de komst van de messias, waarna Mensenzoon - hetgeen eenvoudig ”een mens” betekent - een benaming/titel werd voor de Messias). Voor de hogepriester is dit zulke vreselijke godslastering dat hij zijn kleren scheurt. En ieder lid van het sanhedrin is van oordeel dat Jezus de doodstraf verdient. Maar wat Jezus hier uitspreekt is enkel zeggen dat hij de messias is. Dat is niet strafbaar, noch godslastering. Het ongerijmde van dit verhaal wordt nog onderstreept doordat de Torah ondubbelzinnig is over wat er in geval van godslastering gedaan moet worden: ”Wie de naam van Jahweh vervloekt, moet ter dood gebracht worden: heel de gemeenschap moet hem stenigen.” (Lev. 24:16) Het verhaal van de steniging van Stefanus in Handelingen laat zien dat zoiets blijkbaar gedaan kon worden zonder de Romeinen ermee te vermoeien. Dat Jezus dus vervolgens naar Pilatus gestuurd wordt lijkt ook een vondst van een romanschrijver die niet geheel thuis is in de gang van zaken.Van Peer schreef:Maar het fictiefst is het oordeel dat vervolgens wordt uitgesproken. Jezus werd volgens het verhaal veroordeeld wegens godslastering, maar dat is technisch onjuist. Daarvoor had Jezus de naam van God lasterend moeten gebruiken.
Van Peer schreef:Maar ook het verhoor door Pilatus is een farce.
Vele zaken kunnen hierbij opgenoemd worden, maar interessant is dit detail in het evangelieverhaal waar Van Peer op wijst:Van Peer schreef:Werkelijk niets van wat de evangelies over het verhoor en het proces melden, is historisch plausibel.
Toch moet worden opgemerkt dat indien men het verhaal op geloofwaardigheid wil schatten, men daarvoor in de eerste plaats de oudste bron moet raadplegen. Het oudste evangelie (Marcus) laat Pilatus zeggen ”Wat wilt u dan dat ik doe met die man die u de koning van de Joden noemt?”, oftewel hier geeft hij er blijk van dat hij eenvoudig wat opgevangen heeft waar het om gaat en als Romein denkt. Ook liet Pilatus een bordje met opschrift ”De koning van de Joden” op het kruis van Jezus spijkeren. Het enige wat men uit de tekst van Matteüs kan concluderen is (opnieuw) dat hij een latere schrijver is.Van Peer schreef:Maar er is ook nog een klein, veelzeggend detail in dit verslag: ’Pilatus vroeg hen: ”Wat zal ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt?”(Mt. 27:22). Hier verraadt de tekst zichzelf als een anachronisme. Omdat Jezus tijdens zijn hele leven nooit, niet één keer, ’Christus’ genoemd werd.
De geseling en de kruisiging
Aan hoe geseling (die in de evangeliën met één zin wordt vermeld) en kruisiging in de Romeinse tijd uitgevoerd werd, besteedt Van Peer wel liefst 12 pagina’s. Het lezen ervan is voor mij een bijna onmogelijke opgave, zoals ooit eerder de Mel Gibson film over de passie van Jezus onmogelijk was om naar te gaan kijken. Aan de martelingen en stromen van bloed komt geen eind. Ik krijg exact hetzelfde gevoel als ooit dertien jaar geleden: ”De film heeft geen enkele relatie met de werkelijkheid, want in werkelijkheid zou een mens na tien minuten Mel-Gibson-film al bewusteloos of morsdood zijn. Maar in de film gaat het martelen en verwonden wel twee uur lang door.”
De beschrijving die ik onder ogen krijg van Van Peer komt zo ongeveer overeen met wat men in die film kan bekijken.
Ik concludeer na een bladzijde of tien dat indien de werkelijkheid van geseling en kruisiging overeenkomstig deze beschrijvingen is, we de woorden die Jezus zogenaamd aan het kruis uitsprak wel mogen vergeten: uit die bloederige massa die daar hangt, waar nog enkele repen huid omheen zit, komt geen woord meer.Van Peer schreef:Er vlogen in een Romeinse geseling flarden vlees letterlijk in het rond. De hele achterzijde van het lichaam werd tot een bloederige pulp geslagen, tot die eruit zag als gemalen vlees.
Ik vraag me steeds af waarom Van Peer aan deze beschrijving van geseling en kruisiging twaalf bladzijden schenkt. Uiteraard wil hij duidelijk maken dat alle christelijke beeldende kunst de afschrikwekkendheid ervan nooit heeft uitgebeeld:
Maar heeft Van Peer in zijn hele boek niet telkens opgemerkt hoe hij juist zo geniet van de evangelies als mooie verhalen? Hoe ’oneindig mooi’ wordt het passieverhaal als je het afgrijslijke ervan bedekt. Waarom moet op dit punt juist de realiteit van marteling en doodstraf in de ijzertijd pagina’s lang ingewreven worden?Van Peer schreef:In de schilderkunst is nauwelijks sprake van een mishandelde Jezus. Zijn gezicht is altijd intact. Afgezien van een spatje bloed hier en daar zou je niet denken dat deze man zwaar mishandeld is.
Maar goed, na twaalf pagina’s kijkt de lezer de rest van het leven met een hoop opperste verbazing naar alle gouden en zilveren kruisjes die men om de nek van menigeen om zich heen ziet hangen als mooie versiering.
Op de laatste pagina van de beschrijving van horror komt Van Peer weer terug op zijn lievelingsbezigheid vliegen met een vliegenmepper dood te slaan, het aanwijzen van sprookjesingrediënten in het verhaal: ”Een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit”:
De zonsverduistering die wordt vermeld is ”verhaaltechnisch weer goed bekeken”, maar ongeloofwaardig, evenals het scheuren van het voorhangsel van de tempel dat exact op hetzelfde moment gebeurt als het sterven van Jezus: zoiets zou een ooggetuige nooit kunnen zien aangezien de twee plaatsen te ver van elkaar verwijderd zijn.Van Peer schreef:Andermaal een medische blunder: uit een dood lichaam komt geen bloed.
Merkwaardigerwijze maakt Van Peer geen opmerking over het verhaal dat het geloof van zelfs de meest geoefende goedgelovigen op de proef stelt *, waarvoor Robert Price de kop ”The March of the Zombies” bedacht heeft. Een nieuwe vondst van top fiction producer Matteüs: een aardbeving die gepaard gaat met de opwekking van een heel kerkhof heiligen, die vervolgens door Jeruzalem lopen.
* Mike Licona, een bekende christelijke (Southern Baptist) apologeet die publieke debatten voert over de verrijzenis van Jezus, werd gedwongen zijn aanstellingen als research professor op het Southern Evangelical Seminary en Coördinator voor de North American Mission Board op te geven, nadat hij in zijn boek The Resurrection of Jesus (2010) geschreven had dat "dit vreemde fragment" misschien gelezen moet worden als metaforische apocalytische beeldspraak.
De verrijzenis
Het geloof in de opstanding van Jezus verklaart Van Peer via wat in de psychologie bekend staat als de poging om cognitieve dissonantie op te heffen:
Vervolgens gaat hij de verschijningen bij langs, maar slaat het absoluut belangrijkste, cruciale feit over dat Marcus, het oudste evangelie, helemaal geen verschijningsverhalen van Jezus kent.Van Peer schreef:Hun leermeester is de allersmadelijkste en allergruwelijkste dood gestorven. De psychische schok die dit bij de volgelingen veroorzaakt moet hebben, was zo groot dat naar een oplossing gezocht moest worden. Een eenvoudige oplossing zou zijn geweest om toe te geven dat men zich vergist had. Maar dat kan natuurlijk moeilijk wanneer je vast geloofd hebt in die belofte van een nieuwe wereld. De oplossing die de eerste christenen hebben ontwikkeld, is die van de verrijzenis: Jezus is wel aan het kruis gestorven, maar hij is uit de dood opgestaan en leeft nog.
Van Peer beperkt zich door op te merken dat diverse verschijningsverhalen slechts één keer vermeld worden:
Van Peer is hier slordig in terminologie en in tellen. Hij heeft in zijn boek uiteengezet dat Matteüs en Lucas het evangelie van Marcus gekopieerd hebben. Dat zijn dus in geen geval drie aparte bronnen. Beter is het hier te spreken over één bron, namelijk Marcus. En voor de duidelijkheid nogmaals: zelfs die ene bron is geen primaire bron (informatie direct afkomstig van personen die te maken hebben met een bepaalde gebeurtenis, persoon of tijdspanne), maar een secundaire.Van Peer schreef:In historisch perspectief maakt dat die getuigenissen verdacht. Niet noodzakelijk fout, maar we kunnen het niet historisch controleren – gewoon omdat er geen andere vermeldingen van zijn. Zoals Lendering terecht opmerkt: ”Een bron is geen bron” (pag. 241 van zijn boek Israël verdeeld). Dat is echter niet het geval voor de ontdekking van het lege graf. Daarvoor hebben we namelijk vier aparte bronnen.
Van Peer heeft ook uitgelegd dat we ”met het evangelie van Johannes het verst verwijderd zijn van de historische feiten”. Dit evangelie dan een bron te noemen heeft net zo weinig pas als wanneer men het Nag Hammadi geschrift De Wijsheid van Jezus Christus een bron zou noemen voor de leringen van de opgestane Jezus.
Van Peer vergeet het evangelie van Petrus te noemen, waarvan nog een fragment is overgebleven, juist een gedeelte waar over de opstanding en leeg graf wordt gesproken. Toegegeven, op het punt dat Jezus uit de dood opstaat en geholpen wordt door engelen om overeind te blijven en naar de hemel te vliegen, leest het alsof je een stripverhaal over Spiderman leest, maar we hebben er weer een aparte bron bij! Ditmaal zijn de Romeinse soldaten die op wacht stonden er getuige van! Plus nog een centurion! En nog Joodse oudsten!
Eén bron is volgens Lendering geen bron, maar bij vijf christelijke bronnen begin je je af te vragen of je ook maar moet concluderen dat het gelijk staat aan geen bron. Want het woord 'bron' is hier gedegradeerd tot betekenisloos.
Van Peer houdt zich nog druk bezig met hoeveel vrouwen er nu getuigen van waren, hoeveel jonge mannen er in of bij het graf waren, of waren het engelen, en of Petrus en Johannes nu wel of niet naar het lege graf kwamen, waarna hij uitspreekt:
Van Peer schreef:Als we deze vier bronnen, met hun verschillen en hun contradicties, samen beschouwen, dan is het geen erg sterk getuigenis te noemen. Wat natuurlijk als een paal boven water staat, is dat de kring van onmiddellijke volgelingen van Jezus sterk geloofde dat hij was verrezen. Zoveel is in de vier teksten wel duidelijk geworden. Kunnen we in hun geloof delen? Dat hangt er van af. Want er is een veel overtuigender argument om aan die verrijzenis te twijfelen. Alle verhalen daarover veronderstellen namelijk dat Jezus begraven werd na zijn dood aan het kruis. Maar die veronderstelling staat volledig haaks op de Romeinse praktijk ter zake. De lichamen van de gekruisigden liet men namelijk in de regel hangen, ter verdere afschrikking. Misschien is het wel eens voorgekomen dat een familie toestemming kreegom het lichaam van een gekruisigd familielid te begraven. Maar Jezus had helemaal geen familie in Jeruzalem.
Kijk, als men op basis hiervan meent te moeten twijfelen aan die verrijzenis, en dus vergeet op te merken dat het sterkste argument om er niet in te geloven is dat dode mensen niet levend worden, laat staan iemand die tot pulp werd vermaald, en dat zelfs als er ooggetuigeverslagen van honderd mensen van zouden bestaan, dat argument niet omver gekegeld zou zijn, is men wel heel erg verdwaald in de bijbelwetenschap of wie weet de diepste spelonken van de geschiedkundige methode.
Het wordt tijd voor Willie van Peer om de bijbel nu maar een poosje dicht doen en eens een frisse boswandeling te maken.