Vrijdenken tegenover gebonden denken

Geef hier je mening over boeken die je hebt gelezen.

Moderator: Moderators

Gesloten
Gebruikersavatar
PietV.
Moderator
Berichten: 14443
Lid geworden op: 21 sep 2004 20:45
Locatie: Rotterdam

Vrijdenken tegenover gebonden denken

Bericht door PietV. » 10 mar 2014 07:32

Vrijdenken tegenover gebonden denken

Ben Warner

In De Vrijdenker nr 1-2014 levert Jeroen Hopster kritiek op het boek God Bewijzen van Paas en Peels, resp. hoogleraar theologie en postdoc Filosofie. Hij schrijft: “God Bewijzen is een gewiekst boek, toegankelijk geschreven en bomvol argumenten voor godsgeloof. Helaas heeft geen daarvan mij kunnen overtuigen – helaas, want het onafgebroken met de auteurs oneens te zijn, maakt de lezing enigszins tot een verzuchting.”
Mij overkwam precies hetzelfde. Alleen al op de eerste 40 pagina’s kwam ik marges tekort om alle kanttekeningen te plaatsen. Sta mij toe Jeroen Hopster met mijn reactie bij te vallen. Per slot van rekening zijn Paas en Peels ook met hun tweeën.

Laat ik vooropstellen, dat de schrijvers zich zeer open en discussiebereid betonen. Zij komen op mij vooralsnog over als zeer wellevende personen, niet agressief, niet fanatiek, niet indoctrinerend, intellectueel hoogstaand en vredelievend. Wel resulteert hun betoog in een vorm van onverzettelijkheid; ze vertonen geen spoor van twijfel. Voor wetenschappers acht ik dit een betwijfelbare geesteshouding.

Bewijs
Ik raak wat vermoeid van de discussie over wie wat moet bewijzen; een weerkerend thema in dit boek. Hopster valt de opstelling van de auteurs terecht aan. De atheïsten zouden de bewijslast over het bestaan van God bij de theïsten leggen. Onterecht menen de schrijvers.
In de inleiding (pag. 21) schrijven zij: “Wie heeft wat aan te tonen? Moeten gelovigen bewijzen dat God bestaat om redelijk te kunnen geloven? Of moeten atheïsten maar aantonen dat er geen God is? In dit hoofdstuk (hoofdstuk 1) geven we allerlei argumenten voor de stelling dat gelovigen in principe niet hoeven te bewijzen dat het geloof in God waar is; het is aan de atheïst om te laten zien dat het niet waar is.”
Het is een schitterend voorbeeld van die eerder genoemde gewiekstheid.
Allereerst mijn mening. Als gelovigen niet hoeven te bewijzen dat God of een god bestaat, waarom zouden atheïsten dan wel moeten bewijzen dat hij/zij niet bestaat. Beste schrijvers Paas en Peels, het is toch inmiddels uitentreuren betoogd, dat nooit kan worden bewezen dat iets Niet bestaat, eenvoudigweg omdat de act van het bewijzen berust op feiten, waarneembaarheden en verifieerbare gegevens en uitkomsten. Bewijzen en het niet-bestaande sluiten elkaar uit. Er kan ook nooit zoiets bestaan als een niet-bestaand bewijs.
Maar nu hun tekst: “…dat gelovigen in principe niet hoeven te bewijzen dat het geloof in God waar is;…” Welaan, die stelling onderschrijf ik. Het geloof in God bestaat immers. Er is geen atheïst die dit zal ontkennen of kan ontkennen zonder zich belachelijk te maken. Met wie of wat discussieert hij anders? Het gaat echter niet om de waarheid van het bestaan van een geloof in God of welke hogere macht dan ook. De essentie van de discussie betreft het reële bestaan van dat waarin wordt geloofd: het bestaan van een scheppende en geboden verspreidende Almacht. Dat is het speerpunt in de kritische houding van seculieren. Als gelovigen dan riposteren met de opmerking, dat een dergelijke geloofsvorm nu net de kern is van wat het woord en de daad van het geloven inhoudt, dan kan ik hen ook nog volgen, maar dan stellen we samen vast, dat geloven kan betekenen dat je je leven inricht en vormt geeft aan de hand van iets dat niet hoeft te bestaan, als zij dat bestaan niet onomstotelijk aantonen.
Verder begrijp ik in die zinsnede de woorden ‘in principe’ niet. In principe hoeft niemand iets, tenzij er sprake is van een zelfgekozen uitgangspunt, dat bij welden kende mensen vraagtekens oproept. Wie vindt dat altijd de waarheid moet worden gesproken, zal zich in principe zelf daaraan ook moeten houden. Anders is elke stellingname zinloos. Wie vindt, dat hij niet mag doden – O ja, dat is een moreel Godsgebod- moet dat dan in principe ook niet doen. En zeker niet uit principe.
Als tot slot de auteurs concluderen, dat het ‘aan de atheïst is om te laten zien dat de hoofdpersoon niet bestaat (in welke hoedanigheid dan ook, anders dan als het voorstellingsproduct van gelovigen, voeg ik eraan toe), dan hoeft die atheïst dat ook niet te doen, want dat het waar is dat er geloof in God/goden bestaat, erkent hij. Maar nogmaals, daar gaat het dus niet om. Het bestaan van geloof is een feit, de voorstelling van zaken is ook een feit, maar de inhoud is fictie. Ofte wel er is een auteur (de gelovige), er is een boek (Bijbel) en er is de inhoud (het verhaal), maar de hoofdpersoon en grote delen van het verhaal zijn verzonnen. Dat mag. Iemand kan besluiten te leven naar de regels van een fictief persoon, maar in dit geval is die persoon bedacht en ingevuld door mensen en in die hoedanigheid mag het worden betwist als het consequenties heeft die onacceptabel zijn en helemaal als het leidt tot dwang naar derden, naar verachting en uitstoting of zelfs eliminatie. Ik bestrijd niet dat mensen geloven; ik bestrijd wat zij onder het mom van dit concept doen en uit naam van een wezen dat zij niet hoeven aan te tonen. Ik bestrijd dit fel, omdat men de eigen verantwoordelijkheid voor die wandaden afschuift naar een op dit punt onaanspreekbare grootheid.

Het onbeschrijfelijke beschrijven
Vrijwel in het hele boek ontlopen de auteurs de enige en meest reële vraag: bestaat God of bestaat er een god of zoiets als een wezen of een hogere macht? Opvallend is, dat zij het standpunt in nemen, dat gelovigen het bestaan van God niet hoeven te bewijzen. Op pag. 175 noteren zij: “…de gelovige hoeft geen theorie te hebben over de precieze werking van het geloof en Gods rol daarin. En dus ook geen theorie die in strijd is met een seculiere theorie. De twee gaan prima samen, zolang de seculiere theorie niet veronderstelt dat God niet bestaat. Doet de seculiere theorie dat wel, dan veronderstelt zij wat zij moet aantonen.”
Er valt op deze redenering wel wat af te dingen, maar daar gaat het mij nu niet eens om. Ik wijs op HOEVEN in de ene zin en MOETEN in de andere. Gelovigen hoeven niets te bewijzen, de seculieren moeten bewijzen. Dat is onsportief. Als ik als seculier iets moet in de discussie (bijvoorbeeld eerlijk, waarheidsgetrouw en logisch blijven), dan geldt dit moeten ook voor de gelovigen.
Ik wil best bewijzen dat God niet bestaat. Edoch, wat niet is heeft geen kenmerken of feitelijk waarneembare eigenschappen van aanwezigheid per definitie. Als we het daar niet over eens kunnen worden, houdt voor mij elke discussie op, maar ik wil toch niet gelijk afhaken. Als ik als seculier dan beleefd vraag aan de gelovigen, die het bestaan van God als kern hebben in hun geloof en in hun aardse handelen, naar welke verifieerbare feiten aangaande zijn bestaan ik zou moeten omzien, dan is hun antwoord: dat doen we niet en dat hoeven we niet. Is het dan zo vreemd, dat ik vervolgens reageer met de vraag: zijn die waarneembare feiten er dan wel? Hun antwoord hierop is: voor mij als gelovige wel, voor jou als ongelovige blijkbaar niet. Einde discussie ten tweeden male.
Zeer jammer en gaandeweg veelbetekenend. Maar goed, ik houd dan nog één plek over waar ik wel antwoorden c.q. kenmerken of aanwijzingen denk te kunnen vinden om het bewijs, dat zij eisen (immers ik moet van hen) te kunnen gaan leveren van Gods non-existentie. Ik ga hun geschriften lezen, als zij zelf het gesprek afbreken.
Het wordt dan helemaal hemeltergend erg, als ik vervolgens moet lezen, dat de kenmerken van die God zijn: de Onvoorstelbare, de Onbevattelijke, Hij die alle denken te boven gaat (in het Evangelie der Waarheid, Nag Hammadi-geschriften), Hij is de vorm van het vormloze, het lichaam van het lichaamloze, het gezicht van het onzichtbare, het woord van het onuitspreekbare, Hij is altijd anders, nu eens op deze dan weer op een andere manier, Toch verandert hij niet… (uit de Drievoudige verhandeling), Niemand heerst over Hem, aangezien Hij geen naam heeft; want ieder die een naam heeft is de schepping van een Ander! (uit Wijsheid van Jezus Christus).
Ik als seculier moet bewijzen, dat het wezen niet bestaat, dat zij zelf in hun geschriften benoemd en beschreven weten, als iets wat loos is en iets wat in alle opzichten ‘on’ is. Sorry hoor, maar dat vind ik niet sportief en verre van wetenschappelijk. Als Paas en Peels zouden reageren met de opmerking, dat wetenschappelijkheid op Godsgeloof en –concept niet van toepassing zijn, heb ik ook geen behoefte aan hun vakbeschrijving op de achterzijde van het boek.
In diezelfde Wijsheid staat ook nog, dat God onmeetbaar is, onnaspeurlijk is en dat Hij niet wordt gekend. En wij, seculieren, moeten bewijzen, dat hij die onnaspeurlijk is niet bestaat en dat hij die niet tot de werkelijkheid behoort en zich buiten (waar dit buiten dan ook is) het door Hem zelf geschapen heelal bevindt niet bestaat, noch gekend kan worden.
Als dit de kwalificaties zijn die gelovigen zelf Hem toekennen, laat dan al die boeken achterwege. Wie niet gekend wordt en die onnoembaar en onnaspeurlijk is, en bovendien ondoorgrondelijk is, kan niet worden beschreven noch gekwalificeerd. Ook niet in jullie boek, Paas en Peels. Dat komt neer op een veel korter boekje met als inhoudelijke tekst: “Dit boek gaat nergens over. Veel leesplezier.” Einde verhaal, einde discussie van mij uit gezien.

Als het bestaan niet kan worden bewezen door seculieren en als gelovigen het vertikken hun gelijk aan te tonen en hun bewijzen te overleggen, ben ik het niet, die de dialoog verbreekt of onmogelijk maakt. Het zij helaas zo, maar dan moeten we over en weer accepteren dat er een vrij definitieve tweedeling ontstaat. Laten we elkaar respecteren, maar elkaar dan ook niets opleggen, laat staan iets afdwingen. Als het louter ging om verhalen, mythes en oudheidkundige visies kan ik daar heel goed mee leven. Zeus mag elke begeerlijke vrouw aarde verleiden en als stier of zwaan bespringen, maar hij moet mij via zijn geloofssecondanten of aanhangers niet gaan vertellen dat ik dan kuis en trouw door het leven moet gaan en hem moet aanbidden op straffe van het verlies van een hemelse plaats.

Wie echter geloven en prediken, dat vrouwen geen onderwijs zouden moeten krijgen (Taliban), dat vrouwen op de tweede plaats komen en mannen op de eerste (Islam en Christendom), dat officiële kerkfuncties niet voor vrouwen zijn weggelegd (Rooms-Katholieke kerk), dat andersgelovenden of zelfs andersdenkenden geen bestaansrecht hebben (geloofsfanatici uit alle rangen en standen), dat mensen met een hoge moraal maar atheïst zijnde toch in de hel belanden (zo ongeveer alle geloven) en dit baseren op hun godsgeloof en de openbaringen of geboden van hun Heer, die hebben, beste Paas en Peels, toch wel wat uit te leggen en het lijkt mij heel redelijk dat die andersdenkenden met enige klem vragen ‘toon mij eerst eens aan wie dit zo bedacht heeft en voorschrijft en laat hem eens met mij contact opnemen, want volgens mijn geloof en denkwereld bestaat hij niet en u kunt toch mijn recht op dat geloof niet ontzeggen. Temeer daar ik de bovenstaande vijf voorbeelden, die samen nog maar één zin vormen, kan uitbreiden met een hoeveelheid tekst ter dikte van het Oude Testament.

Van nature
Jeroen Hopster bekritiseert ook de stelling in het boek God bewijzen, dat religiositeit meer een kwestie is van nature dan van nurture. Religiositeit zou tot de natuurlijke aanleg van mensen behoren en dus, zo redeneren Paas en Peels, is een onreligieuze opvoeding een daad van onderdrukking en verdrukking. Ik ben meer geneigd rationaliteit als een natuurlijke aanleg te beschouwen en daarmee de ontwikkeling van kennis gegeven onze hersenvermogens, die op zich een product zijn van evolutionaire aanpassing. Het is voor mij opvallend dat in een aantal geloven juist die rationaliteit wordt weggedrukt!
Ik kan mij verenigen met de aanname dat de mens een aanleg heeft om zich met de natuur verbonden te voelen of met zijn hele omgeving inclusief het mysterieuze heelal, maar dat impliceert nog niet dat die verbindingsaandrang tot een Godsbeeld moet leiden met alle hieraan verbonden superioteitsclainms. De schrijvers doen dit wel. Dat dit geleid heeft tot een vrij massale, gelijkluidende vorm van godsinvulling – in het boek spreken zij van 80 procent van de mensheid, die gelovig is – acht ik nu net een kenmerk van nurture. Alles wat voor de primitieve mens cognitief nog onbereikbaar of onverklaarbaar bleek, zeker als het om verschijnselen ging, waarin van meer macht en vermogen sprake was dan de mens zelf aankon, kreeg het stempel van een hogere macht. Zeker als dit hen van bovenaf door hun voorgangers, leiders of fysiek sterkere generatiegenoten werd voorgehouden. Voor mij is dit geen bewijs van religiositeit, maar van een vrij logische en rationele gedachtegang of cultureel-maatschappelijk despotisme: wat sterker is dan ik moet wel veroorzaakt worden door een wezen dat meer macht heeft dan ik. Als mijn sterkere, dreigende leiders dat zelf al zeggen en denken, wie ben ik dan om dit te weerspreken? In eerste aanleg betrof dit voor de mensen in die prehistorische tijden een op henzelf gelijkend wezen met extra bijzonderheden, want ook de Neanderthalers en hun tijdgenoten hadden al door dat levenloze dingen in de natuur niet onmiddellijk waarneembaar acteerden en er moesten dus wel bijzondere krachten of wezens achter de bovenmenselijke verschijnselen en krachten wegkomen. Naarmate het menselijke hersenvermogen toenam won die gedachtegang aan kracht en werd het voorstellingsvermogen met scherpere ‘verbeeldingen’ ingevuld. Animisme is mensen misschien ook wel aangeboren na een paar miljoen jaar reflecteren en ervaringen opdoen, maar de invulling daarvan is een cultureel en temporeel gegeven ofwel nurture. Binnen ons actuele denkraam en de feitenrealiteit is die hogere macht bijvoorbeeld de zwaartekracht en bestaat bepalen in bredere zin alle natuurwetten het verloop derdingen.
Op pagina 28 citeren Paas en Peels om hun bewering, dat religiositeit een natuurlijk verschijnsel is, te onderbouwen, de emeritus hoogleraar psychiatrie van Praag. Het citaat luidt als volgt:
“Religieuze ontvankelijkheid acht ik een normaal bestanddeel van de menselijke conditie. Dit standpunt berust op het frequente voorkomen van deze hoedanigheid en op haar ‘functionaliteit.’ Een kenmerk van de meerderheid van de mensen kan moeilijk als abnormaal of pathologisch worden aangemerkt. Met ‘functionaliteit’ bedoel ik dat religiositeit in het leven van de religieus ontvankelijke mens belangrijke functies vervult.”
Let wel, de cursivering is van mij, evenals in een tweede versie van dit citaat met enkele andere woorden: “Wetenschappelijke ontvankelijkheid acht ik (aw) een normaal bestanddeel van de menselijke conditie. Dit standpunt berust op het frequente voorkomen van deze hoedanigheid en op haar ‘functionaliteit.’ Een kenmerk van de meerderheid van de mensen kan moeilijk als abnormaal of pathologisch worden aangemerkt. Met ‘functionaliteit’ bedoel ik dat wetenschappelijkheid in het leven van de voor kennis ontvankelijke mens belangrijke functies vervult.”

Als Van Praag, Paas en Peels dit laatste, gemodificeerde citaat ook in zijn zeggingsbetekenis onderschrijven, blijft over dat in de moderne wereld de invulling van religiositeit met het Godsbegrip nu juist door die andere functionaliteit van de wetenschappelijkheid, die overigens voor 100 procent van de mensheid geldt (theïsten en atheïsten) , aan vraagtekens wordt onderworpen.

Tot mijn schrik
Op pag. 27 schijven de auteurs: “Religie is een van de normaalste dingen in de wereld. Pakweg 80 procent van de mensheid is religieus.” Zo gelezen is hier niets op aan te merken. Een lichte kriebel veroorzaakte bij mij het adjectief normaalste. Als Paas en Peels het woord neutraal gebruiken door te stellen, dat iets dat door een overgrote meerderheid wordt aangehangen als normaal moet worden beschouwd, zal dit, naar ik veronderstel, bij weinigen tot ontkenning leiden. Dit geldt ook voor de volgende zin van mijn hand: Liegen is een van de normaalste dingen in de wereld. Pakwek 100 procent van de mensheid is bij tijd en wijle leugenachtig.
Toch vinden we doorgaans liegen niet normaal, omdat we eigenlijk vinden dat mensen niet zouden moeten liegen (moraal!). Maar tja, we kennen onszelf en alle andere pappenheimers. Beschaamd moeten we constateren dat, ondanks ons normbesef en onze voorkeur voor de waarheid, liegen aan de orde van de dag is en dat het in de populaire zin van het woord de normaalste zaak van de wereld is. Iets kan dus de normaalste zaak van de wereld zijn, maar toch ongewenst en eigenlijk ongewild. Het geldt in gelijke mate voor alle, andere negatieve gedragingen van mensen.
Laten we aannemen, dat 20 procent van de mensen niet gelovig is, dan is dit rekenkundig een minderheid, maar cultureel-sociaal gezien nog steeds een groep van circa 1,5 miljard mensen. Zo’n verhouding van 1 op 4,3 zet aan het denken, toegegeven, maar het is geen grond voor rechtvaardiging van de leefwijze van de ene groep ten opzichte van de andere, waarbij die als verdoemden worden beschouwd. Het is al helemaal geen argument voor gelijk hebben of het bij het rechte eind hebben.
Als Paas en Peels die normaliteit van religie ten gunste van hun betooglijn hanteren, kan de discussie worden teruggebracht tot de vraag: is religie een gunstige, normale zaak of een ongunstige/negatieve? Kortom moeten we blij zijn met die verhouding. In dat geval verschaffen de geschiedenis en de Bijbel zelf veel inzicht. Wat niemand kan ontkennen, is dat uit naam van God of Allah en aanverwante hogere machten of zelfs op basis van godgegeven voorschriften en geboden de meest verschrikkelijke wandaden zijn begaan. Paas en Peels geven dat met zoveel woorden ook toe. Letterlijk schrijven zij: “Laten we gewoon aannemen, dat er erg foute religies zijn en dat sommige mensen – hoeveel precies weten we niet – hun medemensen kwaad aandoen onder invloed van religieuze doctrines.” Onherroepelijk doet zich dan toch de vraag voor bij kritisch denkenden: wordt het geen tijd die doctrines en die mensen een halt toe te roepen? Of tenminste aan een niets ontziende moraliteitstest te onderwerpen? Kennis nemen van de geschiedenis leidt evenwel al toch een onmiskenbare slotsom: religie en goden zijn door de eeuwen heen bijna onafgebroken misbruikt om bloedbaden te rechtvaardigen.

Ik noem mijnerzijds twee voor-Christelijke voorbeelden en twee actuele. Als Mozes van God opdracht krijgt de Midianieten te straffen (boek Numeri) wordt deze kwaad als zijn soldaten alleen de mannen hebben gedood en de vrouwen en alle (ook de mannelijke) kinderen in leven hebben gelaten. Hij beveelt ze dan deze alsnog te doden, behalve de maagden. Dat is dus de man die het ‘gij zult niet doden’ als gebod meekreeg gebeiteld in stenen tafelen. En die ik als gelovige moet zien als een groot man en profeet. Alleen al het gegeven dat de maagden behouden mogen blijven doet mij gruwen. Zou een boek met dergelijke teksten nu verschijnen, dan mag ik toch hopen dat het verboden wordt. Doodt alle Bosniers maar spaar de maagd-meisjes. Ook Deuteronium staat vol van moord en doodslag en het boek Jozua is bijkans één groot genocide-verhaal. Moet ik die gruweldaden als symbolisch beschouwen? Het staat overigens nergens in de Bijbel, dat ik het zo dien op te vatten.
In het heden kunnen we in Syrië en Centraal-Africa zien hoe geloofsgroepen elkaar bestrijden als twee voorbeelden uit vele in de moderne tijd. De vraag positief of negatief kan helaas met nagenoeg ontelbare andere van dergelijke voorbeelden worden teruggebracht tot: Hoeveel wandaden moeten er door gelovigen met een beroep op het geloof of juist daartoe genormeerd en aangezet worden bedreven, voordat een neutraal denkend mens concludeert, dat religie in veel gevallen tot negatieve uitkomsten aanleiding leidt of hiervan zelfs de bewuste oorzaak is?
Om deze vraag lopen Paas en Peels het hele boek door met een straal van hier tot de hemel heen. Voor hen blijft het geloof een positief gegeven in weerwil van de vele gelovigen die onmiskenbaar in meer dan één opzicht uit de boot vallen en Gods geboden negeren. Wat moet ik met mensen die zeggen het recht te respecteren en ervoor te knielen om zich er vervolgens met geen woord of daad iets aan gelegen te laten liggen.

In hun boek geven Paas en Peels wat zij noemen ook ‘goede argumenten voor het bestaan van God.’ Zij beschrijven er zes; het kosmologisch argument, argumenten op basis van bewustzijn, van godservaringen, van finetuning, van wonderen en ten leste het ontologisch argument. Ik hoop dat de redactie mij toestaat hierop voor de lezers terug te komen in een tweede artikel.

__________________________________________________________________________________________

Noot:

[Deze verhandeling staat in het jongste nummer van het maandblad "De Vrijdenker" mocht er interesse zijn om het blad te ontvangen dan kunt u voor een abonnement contact opnemen met het secretariaat redactie@devrijegedachte.nl . Mijn dank voor het gebruik van deze kopie gaat uit naar Jan van der Werf en natuurlijk de auteur Ben Warner. Ik hoop het vervolg er over een maand aan vast te plakken. Opmerkingen over dit artikel of zaken die er mee te maken hebben kunnen in het volgende topic geplaatst worden http://www.freethinker.nl/forum/viewtop ... 44&t=13446" onclick="window.open(this.href);return false;]
Is de leegte niet een weldaad, geeft stilte niet veel rust, waarom moet onder leiding van dominees, goeroes, therapeuten en anderen alles kapot gezingeeft worden?

Gebruikersavatar
PietV.
Moderator
Berichten: 14443
Lid geworden op: 21 sep 2004 20:45
Locatie: Rotterdam

Paas en Peels leveren grondstof voor de seculiere redenering

Bericht door PietV. » 22 apr 2014 16:15

Afkomstig uit maandblad "De Vrijdenker".

Paas en Peels leveren grondstof voor de seculiere redenering

Ben Warner

Het laatste hoofdstuk in het boek God bewijzen voeren de schrijvers Stefan Paas, hoogleraar theologie aan de VU en Rik Peels, postdoc aan de VU en dr. in de filosofie, onder de titel “Er zijn goede argumenten voor het bestaan van God “ zes argumenten op. Zij doen dit in een pro en contra-vorm door ook tegenwerpingen aan bod te laten komen. Ook in dit tweede artikel geef ik mijn bezwaren of kanttekeningen aan.
De zes door hen behandelde argumenten zijn:
1. Het kosmologisch argument;
2. Argumenten op basis van bewustzijn
3. Het argument op basis van godservaringen
4. Het argument op basis van finetuning
5. Het argument op basis van wonderen
6. Het ontologisch argument.

Afgezien van het feit, dat zij in elk argument een pro-God bewijsvoering of aanwijzing vinden, poneren zij ook dat het halve dozijn cumulatief hun casus voor het godsbestaan ondersteunen.
Voorafgaand aan de argumentenbehandeling schrijven zij: “Een argument voor het bestaan van God moet voor mensen die om bewijzen vragen voldoen aan extreem hoge eisen, juist omdat het bestaan van God voor hen zo extreem onwaarschijnlijk is.”
Ik vind dat woord extreem niet passen. Seculieren, atheïsten of niet-gelovigen hebben helemaal geen extreme eisen. Zij hebben uiteenlopende redenen voor hun afwijzing. Eén van die redenen is het gedrag van gelovigen en de wandaden die zij bedrijven uit naam van hun Heer of goden, waarbij de mono-gelovigen zelf zeggen, dat zij hun moraal aan die Oppermacht ontlenen en in niet de minste gevallen zelfs hun opdracht. Een tweede reden is de hoeveelheid tegenstrijdigheden in de boeken over of de geopenbaarde woorden van God zelf. Wie kan een dik boek schrijven over iets waarvan hij zelf beweert dat het onbeschrijfelijk, onbenoembaar, zelfs onkenbaar is. Een derde reden vormen de ongeregistreerde openbaringen en wonderen, waarvan vrijwel altijd latere generaties gewag maken en dan nog eens talloos vaak herschreven, aangevuld en zeer bedoeld gekortwiekt, d.w.z. door selectie en censuur passend in hun straatje gemaakt. Een vierde reden zijn de zelfverklaarde plaatsvervangers, die bijna altijd een machtige positie bezetten en vele paladijnen om zich scharen en naar believen interpreteren. Om slechts een kwartet bezwarende redenen te noemen.
De eis om dan eens met stevige, waarneembaar houdbare feiten of dergelijke te komen acht ik niet extreem. In de woorden van Paas en Peels zelf, die eis schaar ìk onder de normaalste zaken van de wereld. Het verweer dat God nu eenmaal niet onder die normale werkelijkheden valt, is daarmee een vlucht in het oneindige. Wat niet is, kan niet worden bewezen, wat overal is, wordt niet aangetoond en hoeft dit ook niet te worden.
Voor mij geldt, dat wat niet door feiten wordt onderschreven blijft ten principale vooralsnog theorie. Dat is echter geen belemmering voor een gedachtewisseling.

Het kosmologische argument

In het kort gaat dit argument als volgt. Wat begint heeft een oorzaak, het universum is ontstaan en heeft dus een begin, dus een oorzaak. Die oorzaak kan met recht God worden genoemd. Hier heb ik niets tegen in te brengen, behalve tegen de toevoeging ‘met recht’. Men kan die oorzaak ook de onveroorzaakte oorzaak noemen of de tot nu toe onkenbare oorzaak of Onbevlekte Oorsprong. Meer namen of verklaringen zijn denkbaar, maar waarom en met welk recht (als we het daar toch over hebben) heeft die oorzaak mij iets te gebieden?

De schrijvers redeneren van hun kant, dat het universum de hele fysische werkelijkheid is, dus kan geen ander fysisch ding het universum hebben veroorzaakt. Derhalve moet er iemand of iets zijn geweest van buitenfysische aard, die het universum heeft gecreëerd of veroorzaakt. Beste schrijvers, als jullie de oorzaak omschrijven als ‘iemand’ of ‘iets’, impliceert dit een fysiek gegeven. Of ten minste iets waaraan geen naam of een woord met betekenis kan worden gegeven. Op zich is taal geduldig en niet altijd logisch, want ook het Niets heeft een woord. Je kunt er alleen geen voorstelling van maken. Het denkende iets (wij mensen dus) kan zich geen Niets voorstellen. We kunnen het woord uitspreken, we kunnen het zelfs omschrijven, maar we hebben er letterlijk en figuurlijk geen voorstelling van. Het concept in ons hoofd stelt zich bij God wel degelijk een iets voor, dat is in ieder geval de kern in het laatste door u behandelde, zogenoemde ontologische argument.
Verder motiveren de schrijvers: “ Naast tijdloos, niet ruimtelijk en immaterieel moet deze eerste oorzaak (van het heelal aw.) ook onveranderlijk zijn, omdat er geen verandering kan bestaan zonder tijd en ruimte. Zucht. Alles binnen tijd en ruimte duiden wij aan met werkelijkheid. Zo beschreven als door Paas en Peels moet die eerste oorzaak dus onwerkelijk zijn. Hoe kan een mens, zoals zij betogen onder het ontologisch argument, dan een voorstelling maken op basis van de Anselmus-definitie, waarbij God als werkelijkheid wordt gedacht en dus ook werkelijk moet bestaan. Hun redenering, niet de mijne.
In de paragraaf met tegenwerpingen laten de schrijvers nog het volgende noteren, als ze een seculiere redenering aanhalen. <“We hoeven dan geen beroep op God te doen. (als de kosmos van een moment geleden veroorzaakt werd door de kosmos van het moment daarvoor, zo tot in het oneindige). Maar deze redenering is problematisch. We zouden in zo’n geval een wetenschappelijke verklaring hebben waarom het universum blijft voortbestaan als het er eenmaal is, maar we zouden geen verklaring hebben waarom er überhaupt een universum is.”> Einde citaat (pag. 287/288). Klopt, maar deze tekst glijdt langs de essentie. De fout in deze zit in het gebruik van het woord ‘waarom.’ Dit doet niet ter zake. Het gaat in de discussie over het hoe (waardoor, oorzaak) het heelal is ontstaan, niet om waarom (reden, bedoeling).

Het bewustzijnsargument

Essentie in dit betoog is, dat een mens altijd persoonlijke ervaringen heeft, een eigen innerlijk leven en dat een mens zich van zichzelf bewust kan zijn op een manier die voor anderen altijd ontoegankelijk zal zijn. Dit wordt bewustzijn of subjectieve ervaring genoemd, schrijven zij. Ik maak mij sterk dat als binnenkort –en het is dichter bij dan menigeen denkt of weet- blijkt, dat ons doen en laten en denken veel meer wordt aangestuurd door het onbewuste dan het bewustzijn, dat de gelovigen gaan beweren, dat het juist dit onbewuste is, van waaruit God ons aanstuurt. Zij breiden dan hun bewijswereld uit met wat de wetenschap ontdekt, net zoals met de toenemende kennis de zesdaagse schepping is opgerekt tot de miljardenjarige leeftijd van de oerknal en alle naweeën. Of juist verkort, want de oerknal en daarmee het ontstaan van ons heelal heeft miinder dan seconden genomen.
De sleutelzin bij Paas en Peels in deze paragraaf is: “Maar in een wereldbeeld waarin God geen rol speelt, is het nogal een mysterieuze claim dat uit materie op een gegeven moment (zij bedoelen ergens in de evolutie, aw) vanzelf zoiets immaterieels ontstaat als bewustzijn en inhoud.” Hier geven zij er blijk van de evolutieleer of niet te aanvaarden of niet te snappen. De evolutieleer beweert geenszins dat er vanzelf zoiets immaterieels ontstaat als bewustzijn en denkinhoud. De moderne kennis van biochemie en de natuurkunde ten fundamentele wijzen daar evenmin op. Van vanzelf is geen sprake. Het proces van complexiteitsvorming, van elementaire deeltjes of energiegolven tot aan, onder andere, de menselijke hersenen en het bewustzijn, gaat allesbehalve vanzelf. Lees het boek Vital Dust van Christian de Duve, Nobel-laureaat er eens op na (1995). Het ligt in de potentie van energie besloten, dat het kan leiden tot uiterst ingewikkelde structuren en organisaties, of nog beter tot informatie. Het uitspreken van de onmogelijkheid van vorming van immateriële bewustzijnszaken door quanta, atomen of moleculen zou ik als wetenschapper en als gelovige achterwege laten. Binnen de concepten verbonden aan de quantumfysica ligt wel degelijk de mogelijkheid besloten, dat de scheiding tussen de materie/het stoffelijke en het onstoffelijke voor mensen tot nu toe weliswaar een manier was om naar de werkelijkheid te kijken of deze te onderscheiden en dat deze separatie de facto niet zal blijken te bestaan. Kortweg gesteld: er bestaan geen twee werelden. Er bestaan verschillen, uiteenlopende verschijningsvormen, maar geen absolute delingen. Er bestaan als één historisch geheel sublieme eenvoud en nog niet uitgewerkte complexiteit en het proces van het een naar het ander.

En passant kan ik zeggen, dat ik bij godservaringen geen kanttekening kan plaatsen. Als mensen ervaringen hebben die zij aan God toewijzen, dan is dit zo binnen hun denkwereld en interpretatie, en valt die uitleg niet te bestrijden. Dit hoeft ook niet; het is hun innerlijke, particuliere belevingswereld. Als zodanig vormen die ervaringen geen extern, van de persoon ontdaan bewijs. Het dispuut gaat immers niet over geloven en alle rituelen, bevindingen en exaltaties die mensen hier persoonlijk aan verbinden, maar over de feitelijkheid van de bewering dat er een God zou bestaan en dat deze de Zegsman is, dat ons leidt en vertelt hoe te leven. Ik wil het rechtstreeks horen en heb geen behoefte aan vage doorgeefluiken met eigen bedoelingen en machtsvertoon. Of zoals de auteurs het zelf zeggen en toegeven: “Die ervaringen zijn geen doorslaggevend bewijs” …en… “Maar religieuze ervaringen zijn niet controleerbaar voor wie ze niet heeft. Dat klopt natuurlijk.” (pag. 301 en 307).


Het argument van finetuning

De wetenschap heeft ontdekt en vastgesteld, dat de verhoudingen van allerlei componenten van ons heelal, zo nauw luisteren, dat de minste of geringste afwijking in het prille begin (tijdens en direct na de oerknal) een voor het leven, zoals wij dit kennen, kansloze samenstelling zou hebben geleid. Religieuze mensen leiden hieruit af, dat er een almachtige moet zijn, die in dat verfijnde ontstaan de hand in heeft gehad. Het heelal kan niet bij toeval zijn ontstaan, ook niet als gevolg van een fysisch proces. Nuchterhalzen passen het anthropische principe toe. Uit het feit, dat er wel een leefbaar heelal en levende wezens bestaan, concluderen zij, dat het dus gelopen is zoals het gelopen is. Zou het anders gegaan zijn dan waren wij er niet om het constateren en daarmee einde verhaal.
Dawkins en andere sceptici wijzen de godhypothese als die almachtige, noodzakelijke hand af. Zij achten dit een zinloze verschuiving van de vraag, want wie of wat heeft dan die Almachtige tot werkelijkheid gebracht, zelfs al zou dit buiten het ruimtetijdcontinuum zijn gebeurd? Als het ontstaan van het heelal een verklaring nodig heeft, dan kan dit nooit worden gevonden in een verklaring van een wezen, dat op zich geen verklaring heeft. In seculiere ogen schiet dit niet op: de onverklaarbare verklaring. Zij wijzen die opschuiving van de vraag derhalve af.
Paas en Peels staan op het standpunt, dat die opschuiving wel hout snijdt, omdat God niet kan worden begrepen binnen de menselijke kaders en natuurwetten. (Terzijde, mijn wat cynische reactie is: schrijf dan ook geen boek over iets dat toch niet te begrijpen valt). Opvallend is dat zij op enkele plekken zelf een opschuiving als verklaringsmogelijkheid ook afwijzen, als dit in hun kraam te pas komt. Bijvoorbeeld op bladzijde 313. Dat lijkt mij meten met twee maten.
Paas en Peels vinden voor hun godsbestaan-redenering bewijs in de berekening van wetenschappers, dat de kans op die fijne samenstelling van het heelal 10 tot de 53e macht (10² is en, zo schrijven zij, sommige kosmologen denken dat deze kans zelfs nog veel kleiner is (pag. 310) .Leven zou onmogelijk zijn, bijvoorbeeld omdat er bij een onmeetbare ietsiepietsie afwijking al vrijwel geen koolstofatomen zouden zijn als basis voor (ons soort) leven en evenmin diverse andere voorwaarden voor leven, zoals warmtegevende sterren.
Ik heb een vraag en een opmerking. De vraag is: hoe groot achten kosmologen de kans dat er een wezen bestaat, dat onstoffelijk is, almachtig, vallend buiten onze heelalwetten en zelfs buiten alle dimensies die wij kennen? Over religieuze finetuning gesproken.
Mijn opmerking is: Als wij het erover eens zijn dat op basis van de huidige stand van de wetenschap de stelling is, dat zonder koolstofatomen het leven onmogelijk is, moet ik toch constateren, dat een Almachtige ook leven kan scheppen waaraan geen koolstof te pas hoeft te komen. (Hij hoeft dit natuurlijk niet te doen, maar had het wel gekund).
Ofte wel het feit, dat zonder een Superingenieur die finetuning van de kosmos er niet zou zijn en wij als mensen evenmin, heeft als nevenschikkende redenering, dat God als Almachtige wel 10 tot de macht 53 –mogelijkheden heeft om leven te scheppen. Zo bezien blijven we ook in dat geval van het Godsbestaan een product van finetuning, maar nu binnen het proces van Zijn oneindige keuzes. Zou God ook maar een ietsiepietsie anders hebben gekozen dan waren wij er weer niet geweest en iets anders wel.. Het is een opschuiving van finetuning, die dus niets toevoegt.
Het compliceert slechts. Gegeven de fysisch fijne samenstelling van ons heelal mogen we dan de uitkomst van een zeer geringe kans zijn, we zijn daarmee wel uniek. In de keuzetuning van God zijn we slechts één van zijn ontelbaar vele keuzes.

Het argument op basis van wonderen

Evenals bij godservaringen kan ik hier kort over zijn. Wonderen worden wonderen genoemd, omdat ze (ver)wonderlijk zijn. Grappig genoeg hebben we in het Nederlands een uitdrukking waarin een wederzijdse uitsluiting verscholen zit: Het is niet te geloven, het is een wonder.
Onbestaanbaar, nooit gedacht, buitengewoon, onverklaarbaar zijn termen die we in betekenis aan het woord wonder verbinden. Paas en Peels geven aan dat veel, zich aanvankelijk als wonderbaarlijke ervaring of gebeurtenis voordoende zaken bij nader inzien en onderzoek wel verklaarbaar bleken. Maar niet alles kon of kan worden verklaard. En dan zijn het wonderen. Sleutelvoorbeelden bij hen zijn de maagdelijke geboorte van Jezus en nog sterker de opstanding uit zijn dood. Alsof dit feiten zijn. Eenmalig zijn ze in ieder geval niet. Alle mensen die naar de hemel gaan, staan op uit de dood. Zelfs zij die naar de hel worden verbannen. Maagdelijke geboortes op hun beurt komen in diverse culturen en mythologieën voor. In Egypte doodt de jaloerse Set zijn broer Osiris en verspreidt diens in stukken gesneden lijk over Egypte. Nadat Isis Osiris’ lichaamsdelen heeft verzameld en samengevoegd, blaast zij er nieuw leven, maar zonder de niet gevonden penis. Zij wordt evengoed wel zwanger van hem. In een Mexicaanse mythe beslecht de Azteekse koning de ruzie tussen twee dochters om een man door hem zijn hoofd af te hakken. Wanneer één van die dochters neerknielt onder de tak, waaraan dit hoofd is opgehangen, druppelen tranen naar beneden, die haar bezwangeren. Het zijn slechts twee voorbeelden uit menige. Het lijkt er eerder op, dat bij vroegere volkeren het concept van de maagdelijke ontvangenis een symbool was van goddelijke hoogheid, iets dat voor gewone vrijende, zwetende, armzalige mensen niet was weggelegd. Het was het domein van goden of vergoddelijkte heersers en hun entourage. Jezus zou over water hebben gelopen. Dat mag wonderlijk worden genoemd, maar komt meer dan 5 eeuwen (!) eerder voor in de wonderen rond Boeddha Siddartha. Wie trouwens een aantal kenmerken van Boeddha in zijn leven en rond zijn bestaan naamloos opschrijft en aan Christenen voorlegt met de vraag wie dit betrof, krijgt steevast als antwoord Jezus Christus. Zij kijken dan ongelovig als ze horen, dat het hier om Boeddha gaat, aan wie lang voor hun godenzoon leefde vergelijkbare gebeurtenissen werden toegeschreven. We zouden het nu plagiaat noemen of in ieder geval niet origineel.

De auteurs eindigen deze paragraaf met de zin “Kortom, wonderverhalen, die niet verzonnen zijn en in een religieuze context staan, vormen aanwijzingen voor het bestaan van God.” Ik laat die zin voor wat zij is. Het komt mij voor, dat wonderverhalen juist in een religieuze context worden geplaatst om vervolgens aan God te worden verbonden of toegeschreven, waarmee het dan voor mij, doorredenerend, ook nog eens geen wonderen meer zijn. God kan immers alles en zit overal in. Het zijn religieuze kringloopverhalen.

Het ontologisch argument

Als laatste bewijs voor Gods bestaan voeren Paas en Peels het ontologisch argument op. Zij noemen dit een eigenaardig argument, dat het gevoel geeft dat degene die er kennis van neemt zich beetgenomen acht, maar dat tegelijk het moeilijkst te weerleggen is. Dit zou ook niemand gelukt zijn in al die eeuwen na Anselmus tot nu toe.
Ik maak de lezer eerst deelachtig van de kern van hun betoog.
< Het argument, zo schrijven zij, stamt uit de elfde eeuw van de monnik Anselmus van Canterbury. Het is in zijn geheel gebaseerd op taal en logica. Het begint met een definitie: Wie of wat bedoelen we met het woord God?
Deze definitie luidt: God is datgene waarboven niets groters gedacht kan worden.
De redenering gaat dan aldus. God is in alle opzichten volmaakt; er is niemand die machtiger is (Hij is Almachtig), meer kennis heeft (Hij is Alwetend) en een volkomen goed wezen (Hij is moreel het zuiverst). God als datgene waarboven niets groters gedacht kan worden, bestaat dus in ieder geval als concept in ons hoofd. Anselmus gaat dan verder en stelt: iets dat alleen in ons hoofd bestaat is kleiner dan iets dat zowel in ons hoofd als in de werkelijkheid bestaat. Als God alleen in ons hoofd bestaat, kunnen we ons een wezen voorstellen dat zowel in ons hoofd als de werkelijkheid bestaat. Dat wezen zou alle eigenschappen van God hebben en bovendien ook nog in de werkelijkheid bestaan. Dat wezen zou dan God zijn, want groter dan alleen in ons hoofd. Conclusie: als we ons een wezen kunnen voorstellen waarboven niets groters denkbaar is –en dat kunnen we- moet dit wezen ook in werkelijkheid bestaan. Anders zou de definitie met zichzelf in tegenspraak zijn.”> Einde weergave citaten.

Eerst een paar zijdelingse opmerkingen. Het valt het hele boek op, dat Paas en Peels als zij het over god hebben, zij hun God met een hoofdletter G schrijven en als het godsgeloof in algemene zin aan bod komt, van uiteenlopende soort en inhoud, met een kleine g. Het blijft onduidelijk of alle godsbewijzen en pro-argumenten ook gelden voor al die andere Heren en Wezens met de kleine g.. In deze behandeling van het ontologisch argument is het wel duidelijk dat zij hun God bedoelen.
In de Nederlandse vertaling van de Anselmus-definitie staat …God is datgene, waarboven…In die zin is God dus onzijdig. Verderop in de tekst wordt God met het woord wezen aangeduid. Wezen heeft als betekenis, iets dat bestaat, echter alleen toegepast op levende of als levend gedachte zelfstandigheid, als schepsel. Zoals in de toepassing: levende wezens of het Opperwezen God. In die zin krijgt God iets anthropisch. Dat kan ook, maar het changeren tussen de abstractie en het organische stoort mij. Als gelovigen dan zeggen dat God beide is, dan acht ik dit niet erg logisch, maar tja op veel plekken lees ik dat God niet logisch mag worden benaderd, hoewel Paas en Peels het ontologisch argument gebaseerd weten op taal en logica, zoals zij zelf schrijven.

Als het concept en de definitie stellen dat niets groters kan worden bedacht, dan is het logisch te stellen dat, als we dit toch doen, dit grotere uiteraard weer gewoon God moet worden genoemd. Dit aanvaard ik: grootst is grootst. Punt uit. Het betekent echter dat God ook het Alomvattendst is; niets is immers meer of groter. Hij is werkelijk het ultieme alles, zowel in gedachte als in de werkelijkheid, althans volgens de zo gelovig redenerende denker.
Maar dan ontstaat er een barst in de redenering. God moet bestaan is de conclusie, want we kunnen niet alleen het concept God/ Alamcht in ons hoofd hebben maar ons ook voorstellen, dat God in werkelijkheid bestaat. Toegegeven, dat kunnen we, maar het blijft hoe dan ook een voorstelling in ons hoofd en ik zie niet goed in om welke reden dan dit wezen dan ook in werkelijkheid moet bestaan. Daarop hebben we een antwoord.
Anders zou de definitie in tegenspraak zijn met zichzelf, schrijven zij met Anselmus. Mijn weervraag is dan: Waarom zou dit niet kunnen? Innerlijke tegenspraken bestaan.
Maar er is nog een tegenwerping te maken. Een sterkere. Paas en Peels passen een vreemde vorm van wiskunde toe. God in ons hoofd is 1 en God in de werkelijkheid is ook 1. (Voluit geschreven: God in de gedachte voorstelling is iets en God als gedacht in de werkelijkheid is ook iets). Hoofdgedachte plus werkelijkheid zijn meer of groter dan alleen hoofdgedachte, is de redenering en dus bestaat God ook in de werkelijkheid, maar dan echt, is de conclusie. Afgezien van de vraag of je twee dergelijke voorstellingsgegevens bij elkaar kan optellen, geldt ook nog, dat God als Alomtegenwoordig en Alomvattendst de mentale voorstelling van God in ons hoofd al omvat. Anders gezegd: de gedachte dat God bestaat is al een onderdeel van zijn bestaanswerkelijkheid. Mijn redenering is nu, dat 1(godsvoorstelling) + Alles-wat-er-is nooit meer kan worden dan Alles wat er is of je moet in het oneindige blijven optellen en dan wordt langzamerhand het hele argument onzinnig. (Elders wijzen Paas en Peels zo’n opschuiving af). En nu dus niet, want juist als Anselmus, Paas en Peels stellen dat er niets groter is, vergroten zij het grootste door er toch weer wat bij op te tellen. Dat nu lijkt mij een tegenspraak. Iets is het grootst of niet: dus Alles plus 1 blijft juist volgens de door hun gehanteerde definitie Alles. En dan zegt de hele redenering niets meer dan “Alles wat er is, bestaat als werkelijkheid. “ En laat dit nu juist een heel wetenschappelijke en tevens seculiere gedachte zijn.
Dit staat nog los van een ander argument. Als Paas en Peels Anselmus’ redenatie volgen en stellen, dat het geloof in God plus de gedachte dat hij in werkelijkheid bestaat als iets groter dan wat dan ook, dan geldt die redenatie ook voor het bestaan van God en de werkelijkheid. Aangezien God buiten de werkelijkheid (het heelal) bestaat, hebben we dus te maken met a) God en b) de door hem geschapen werkelijkheid. Dat zijn twee zaken en bijeen zijn ze dus meer of groter dan God. Als het verweer dan wordt, dat de Anselmus definitie die redenering niet toelaat, omdat niets groter is dan God, dan moet de schepping dus onderdeel uitmaken van God en bestaat de werkelijkheid binnen dit wezen. Dan wordt het nog vreemder. Als de werkelijkheid een wezenlijk onderdeel is, is er van een schepping geen sprake. Het heelal bestond al tegelijk met God en dan valt Hij onder de Tijd. Als de schepping pas later door God aan zichzelf is toegevoegd - let op: niet buiten zichzelf- hebben we met een duidelijke tegenspraak te maken.

Het ontologisch argument voelt niet helemaal jofel aan, geven de schrijvers toe, maar zij houden het wel overeind als een Godbewijs. Maar wat als we, los van de voorgaande redenering, het nu eens zo definiëren:: “God is datgene waar beneden niets kleiners gedacht kan worden.” Kan ik die voorstelling als concept in mijn hoofd hebben? Jazeker. Kan ik mij voorstellen, dat dit allerkleinste, waaronder niets kleiners kan bestaan, in werkelijkheid bestaat? Jazeker, geheel volgens hun eigen redeneerlijn. Welaan, dan is God het allerkleinste bestaansconcept, dat ook in werkelijkheid kan bestaan. Alle andere concepten of gedachten of bestaanswerkelijkheden zijn dan groter. Ofte wel de werkelijke wereld is groter en omvat meer dan het allerkleinste. Laat ik het nu dáárop houden als opponent van Anselmus.



Opmerkingen over dit artikel kunnen op de plek gezet worden waar de link naar verwijst. Met als het even kan de naam van de auteur erbij, in dit geval Ben Warner!!

http://www.freethinker.nl/forum/viewtop ... 44&t=13446" onclick="window.open(this.href);return false;
Is de leegte niet een weldaad, geeft stilte niet veel rust, waarom moet onder leiding van dominees, goeroes, therapeuten en anderen alles kapot gezingeeft worden?

Gesloten