De Schrift betwist - Maarten "t Hart

Geef hier je mening over boeken die je hebt gelezen.

Moderator: Moderators

Gesloten
Gebruikersavatar
PietV.
Moderator
Berichten: 14040
Lid geworden op: 21 sep 2004 20:45
Locatie: Rotterdam

De Schrift betwist - Maarten "t Hart

Bericht door PietV. » 14 nov 2013 19:27

Met dank aan De Arbeiderspers en Maarten 't Hart dat ze bereid waren om mij een aantal hoofdstukken toe te sturen uit de klassieker "De Schrift betwist". Een inspirerend boek met een humoristische ondertoon, waarin de Bijbel van a tot z wordt ontleed, op een onnavolgbare manier!! Het deel wat vaak achteloos vergeten wordt tijdens catechisatie komt aan bod. Het boek is op dit moment te bestellen via bol.com.





Deel I


Wie God verlaat heeft niets te vrezen


Genesis 1 tot 12

In 1962 deed de religieleraar van onze hbs-B-klas, dominee Krijger, een opzienbarende mededeling. Gereformeerde theologen, zo zei hij, hadden onderling overeenstemming bereikt over de eerst hoofdstukken van de bijbel. Daarom hoefden wij, fluisterde hij ons toe, alles wat in Genesis 1 tot Genesis 12 verteld werd niet meer letterlijk te geloven. Wat daarin geschreven stond, konden wij beschouwen als mythische heilsgeschiedenis. Wij moesten dat maar niet thuis vertellen, want onze ouders zouden daarvan steigeren, maar het verhaal van de schepping of de ark van Noach of de torenbouw van Babel hoefden wij niet te lezen alsof het woord voor woord historisch betrouwbaar was.

Was ik opgelucht toen ik dat nieuws hoorde? Al lang had ik ernstig getwijfeld aan die twee tegenstrijdige, potsierlijke scheppingsverhalen in Genesis 1 en 2. Vanaf dat ik een jaar of acht was, had ik niet kunnen begrijpen dat God in vers 3 van het eerste hoofdstuk van Genesis licht schept, terwijl hemellichamen die licht voortbrengen pas in vers 14 tot 16 geschapen worden. Bepaald verontrustender nog was het feit dat in Genesis 2 vers 17 door God gezegd wordt: ‘Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven’, terwijl Eva, als ze van de boom eet, helemaal niet sterft. Ze weet Adam over te halen om ook een hap te nemen. Adam sterft dan evenmin. Wat nu? Had God dan gelogen? ‘Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij sterven.’ Maar Eva en Adam aten, en stierven ten dage niet.

Ik had ook nooit kunnen begrijpen dat Adam en Eva hun dochter toestemming hadden gegeven om met de moordenaar van haar broer te trouwen. En moest je nu echt geloven dat er, zoals in Genesis 6 vers 4 wordt meegedeeld, ‘in die dagen’ ‘reuzen op de aarde’ waren?

En na mijn eerste bezoek aan diergaarde Blijdorp te Rotterdam was ik, bij de aanblik van al die diersoorten, totaal de kluts kwijt. Als er zo ontzaglijk veel diersoorten waren, hoe moest je dan ooit geloven dat die allemaal een plaatsje hadden kunnen vinden in de ark van Noach? In stapelhokjes, boven elkaar? Ja, maar de nijlpaarden, bizons, giraffen en ijsberen dan? En hoe waren zoveel dieren al die dagen gevoerd? En was het echt waar dat zelfs de Himalaja onder water had gestaan? Waar was al dat water dan vandaan gekomen?

En die verhalen over al die aartsvaders die moeiteloos minstens negenhonderd jaar oud werden, wat moest je daarmee?

Het had een opluchting moeten zijn toen dominee Krijger al die onzinnige fabels achteloos tot geloofsmythen bestempelde. Waarom was het dan geen opluchting? Omdat hij in ruil daarvoor van ons eiste dat we vanaf Genesis 12 alles gelovig aanvaarden moesten? Dus de sprekende ezel van Bileam, de zwemmende bijl uit 2 Koningen 6 vers 6, Jona drie dagen in de buik van de (wal)vis, de drie jongelingen die vrolijk in de vurige oven dartelen en van wie nog geen haartje geschroeid blijkt te zijn, en wellicht het grootste wonder in de hele bijbel: zon en maan die respectievelijk een hele dag te Gibeon en Ajalon blijven stilstaan (Jozua 10 vers 12 en 13).

Toch geloof ik niet dat het die eigenaardige koehandel was (Genesis 1 tot 12 mag je ter zijde schuiven, mits je de rest maar gelooft) die mij een bittere smaak in de mond gaf. Ook denk ik niet, al zal dat wel een rol gespeeld hebben, dat ik primair verontwaardigd was omdat ik, hovaardige, mijn ongeloof niet gesanctioneerd wilde zien door gereformeerde theologen. Toch had ik zo’n gevoel van: ‘Wat denkt u wel, dominee? Meent u nou heus dat ik niet zelf op het idee kan komen dat die Genesis-verhalen onzinnig zijn? Denkt u nu echt dat ik er pas onder de beproefde leiding van gereformeerde theologen voluit aan durf te twijfelen?’ Of hinderde misschien het beroep op onze discretie mij? Wij moesten het onze ouders maar liever niet vertellen. Mochten die de bevrijdende waarheid niet horen dat er nooit een hof van Eden had bestaan met verboden vruchten, nooit reuzen hadden rondgelopen, nooit een ark had gevaren, nooit een toren van Babel was gebouwd? Als je tot de conclusie kwam dat bepaalde gedeelten van de bijbel niet waar konden zijn, leek het me dat je dat onmiddellijk luidkeels van de kansel verkondigen moest. Het viel me als kind al zo zwaar om tal van Bijbelverhalen te geloven dat ik me nooit heb kunnen voorstellen dat er mensen zijn die niet alleen al die sprookjes willen blijven geloven, maar zelfs witheet worden als er ook maar voorzichtig aan zo’n Bijbelverhaal getornd wordt.

Een ding was intussen zeker. Je kon Genesis 1 tot 12 wel ter zijde schuiven, maar wat dan te doen met Bijbelteksten waarin gerefereerd werd aan die eerste hoofdstukken van Genesis? Het laatste gedeelte van Lucas 3 moest dan geschrapt worden. Romeinen 5 vers 14 verviel, alsmede 1 Korinthiërs 15 vers 22 en vers 45, plus, al heel duidelijk, 1 Timoteüs 2 vers 13 en 14 (‘Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.’) Het hele gebouw van het christelijke geloof kwam in gevaar. Want als de zondeval een legende was, verviel ook de noodzaak om de mensheid uit zijn gevallen staat te verlossen.

Kreeg ik daarom misschien een bittere smaak in de mond toen dominee Krijger ons vertelde dat wij Genesis 1 tot 12 niet meer hoefden te geloven? Ik weet het nog steeds niet. Ik weet wel dat die mededeling, hoe goedbedoeld ze wellicht ook is geweest, mij het gevoel gaf alsof ik, opeens bestempeld als een zwakke speler, bij het schaken van een sterke tegenspeler een stuk voor kreeg.
De linken wijzen naar Bruna, maar het boek is daar niet meer te vinden. 18-11-2015. Maria
Is de leegte niet een weldaad, geeft stilte niet veel rust, waarom moet onder leiding van dominees, goeroes, therapeuten en anderen alles kapot gezingeeft worden?

Gebruikersavatar
PietV.
Moderator
Berichten: 14040
Lid geworden op: 21 sep 2004 20:45
Locatie: Rotterdam

Re: De Schrift betwist - Maarten "t Hart

Bericht door PietV. » 15 nov 2013 22:23

Deel 2

En God zag dat het zeer goed was

Als een refrein keert telkens in het eerste hoofdstuk van Genesis na diverse scheppingsdaden het zinnetje ‘En God zag, dat het goed was’ terug. In het laatste vers van Genesis 1 klopt God zich nogmaals op de borst en lezen wij dat hij zag dat al wat hij gemaakt had zelfs ‘zeer goed’ was.

Uiteraard kunnen wij op geen enkele wijze nagaan of daar iets waar van is. Het is verbazingwekkend hoe weinig wij weten van het heelal waarin wij leven. We weten zelfs niet eens of de dichtstbijzijnde ster, Alfa Centauri, planeten bezit. We hebben er geen flauw idee van of er in het heelal met zijn miljarden sterrenstelsels ook maar ergens net zo’n planeetje als de aarde om een zon draait. Dat lijkt heel waarschijnlijk, want waarom zou er alleen in een uithoekje van de Melkweg in zo’n onooglijk zonnestelsel als het onze, op het ronddraaiend stofje dat wij aarde noemen, leven gevonden worden? En toch, we weten het niet. We weten niet of het heelal, als het al uitdijt, eeuwig zal blijven uitdijen of weer zal inkrimpen.We hebben vermoedens over zwarte gaten, neutronensterren, pulsars, quasars en hoe al die wonderlijke verschijnselen verder ook mogen heten, en we hebben een theorie over het ontstaan van het heelal die is gebaseerd op de wankele pijlers van de roodverschuiving en de kosmische achtergrondstraling. Het zou mij overigens niet verbazen als de oerknaltheorie vandaag of morgen omvergeworpen werd. Hoe het ook zij en hoezeer we ons ook wellicht een rad voor ogen draaien door te denken dat de astronomie veel heeft opgehelderd over het heelal – misschien niet eens het enige heelal! – we weten slechts zeker dat wij in een zonnestelsel leven dat, op Venus en de Aarde na, voornamelijk bestaat uit kale planeten waaromheen in sommige gevallen al even kale manen cirkelen.

God zag dat het goed was. Wat is er goed aan al die kale, dorre planeten? Ter wille van wie of wat draaien Mercurius, Venus, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus en Pluto al miljarden jaren om de zon? Ter wille van wie of wat cirkelen om de grootste planeten ook nog horden manen? Wat is er ‘goed’ aan de gordel van planetoïden of asteroïden, die zich her en der tussen de planeten ophouden? Wat is de zin van de aanwezigheid van de immense hoeveelheid kometen aan de buitenrand van ons zonnestelsel? Je kunt onmogelijk volhouden dat ons hele zonnestelsel alleen maar geschapen is ter meerdere eer en glorie van die zielige tweebenige stumper die op de aarde rondstapt. Wat hebben wij eraan of er één dan wel tien manen om Jupiter draaien? Of bestaat dat alles ter meerdere eer en glorie van God? Maar wat kan het er voor God toe doen of er één of honderd manen om Neptunus cirkelen?

We vermoeden dat ons hele heelal opgebouwd is uit sterrenstelsels, die hoofdzakelijk bestaan uit een overdonderende hoeveelheid gloeiend hete gasbollen waarom ijskoude, lege steenklompen doelloos cirkelen. Wat is daar ‘goed’ aan, laat staan ‘zeer goed’? Wat is er goed aan zo allemachtig veel kou, zoveel duisternis, zoveel lege ruimte, zo onvoorstelbaar veel sterrenstelsels? Ik kan me voorstellen dat je er als schepper aardigheid in hebt een overzichtelijk sterrenstelsel te creëren. Maar miljarden ervan? Hoe houd je dan in vredesnaam een beetje overzicht?

God zag op de zesde dag dat het ‘zeer goed’ was. Nog steeds krijg je van christenen regelmatig te horen dat de natuur zo wondermooi is en getuigt van Gods grootheid en goedheid. Ach, lieve mensen, de natuur is ronduit verschrikkelijk, de natuur is één groot lijden, de natuur is niets anders dan wreed doodgaan, bruut sterven of langzaam bezwijken. De natuur is: verslinden of verslonden worden. Wat is er ‘zeer goed’ aan een schepping waarin elk schepsel hetzij crepeert aan een vreselijke ziekte, hetzij omkomt in de muil van een ander schepsel? En kom alsjeblieft niet aandragen met het praatje dat een en ander het gevolg is van de zondeval. Gelooft u nu echt dat de leeuw vóór de zondeval van andijvie en bruine bonen leefde?

God zag dat het ‘zeer goed’ was. Misschien was Hij op dat moment eventjes vergeten dat Hij, behalve de drugs, een verschijnsel had geschapen dat het verwerpelijkste is wat er in de natuur gevonden kan worden. Ik bedoel het parasitisme. Wat is er ‘zeer goed’ aan een schepping waarin sluipwespen eieren leggen in klanders, die verlamd worden en die vervolgens langzaam door wat uit het ei komt opgepeuzeld worden? Wat is er ‘zeer goed’ aan een schepping waarin de vreselijkste parasieten in mens en dier huizen, die soms rustig door een vermorzeld oog naar buiten komen kruipen? Wat is er ‘goed’ aan een schepping waarin ruim honderd miljoen mensen aan bilharzia lijden? (Bilharzia wordt veroorzaakt door zuigwormen die in de aderen van de darmwand leven. De eieren verlaten het lichaam via de darm of de urineblaas, en verwoesten daarbij en passant de weefsels die zij passeren.) Wat is er ‘goed’ aan de leverbot, die in de galwegen van koeien, schapen, geiten, varkens, paarden en soms zelfs mensen leeft en over de hele wereld onvoorstelbaar veel schade aanricht? Wat is er ‘goed’ aan een schepping waarin een koekoeksjong jonge heggenmusjes over de rand van het nest duwt? En wreed en langzaam sterven zij, die jonge musjes, van wie er niet één van het dak valt ‘zonder uw Vader’, zoals Jezus zegt.

Wat is er ‘goed’ aan een schepping waarin alle organismen geterroriseerd worden door parasieten, dus ook de parasieten zelf? Hyperparasitisme wordt het genoemd. Dat gaat soms zo ver dat je parasieten hebt die van parasieten leven die van parasieten leven, et cetera.

Wat is er ‘zeer goed’ aan al die lugubere lintwormen, spoelwormen, draadwormen, aarsmaden? Of dateren ook zij pas van na de zondeval? Zo ja, dan is de schepper die ze in een opwelling van grote woede na die zondeval heeft geschapen een vreselijke sadist. De Engelse astronoom Dennis Sciama heeft het heelal ‘in wezen broddelwerk’ genoemd. Op grond van de schaarse gegevens die ons ter beschikking staan, lijkt dat in ieder geval bepaald minder ver bezijden de waarheid dan ‘zeer goed’.
Is de leegte niet een weldaad, geeft stilte niet veel rust, waarom moet onder leiding van dominees, goeroes, therapeuten en anderen alles kapot gezingeeft worden?

Gebruikersavatar
PietV.
Moderator
Berichten: 14040
Lid geworden op: 21 sep 2004 20:45
Locatie: Rotterdam

Re: De Schrift betwist - Maarten "t Hart

Bericht door PietV. » 17 nov 2013 19:26

Deel 3


In den beginne

In de gouden dagen van mijn jeugd werden wij opgeschrikt door een vreselijk gerucht. Er zou een Nieuwe Vertaling van de bijbel verschijnen. Mijn vader was er al bij voorbaat van overtuigd dat zo’n Nieuwe Vertaling het ‘boeksken’ zou zijn waarover in Openbaring 10 gesproken wordt. In de mond zou het zoet zijn als honing, maar de buik zou het bitter maken. Toen die Nieuwe Vertaling eindelijk verscheen, werden zelfs de somberste verwachtingen van mijn vader overtroffen. Die Nieuwe Vertaling bleek een gruwelijk misbaksel. Toch werd ze overal met gejuich ontvangen. Pas nu hoor je van hebraïsten wat toen al door alles wat orthodox was werd gezegd: deze Nieuwe Vertaling is vlees noch vis, lijkt nergens op, kan niet in de schaduw staan van de Statenvertaling.

Maar ja, het is hondsmoeilijk om met name uit het Hebreeuws te vertalen. Je leest alleen maar medeklinkers en je moet gissen welke klinkers daartussen horen. Dat alleen al zorgt ervoor dat er tal van varianten mogelijk zijn. Neem nu het verhaal over Kaïn en Abel. In Genesis 4 wordt verhaald dat Kaïn en Abel een offer brengen. God ziet het offer van Abel aan, maar het offer van Kaïn niet. En dan zegt de Statenvertaling: ‘Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel. En de Heere zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?’ In de Nieuwe Vertaling is daarvan gemaakt: ‘Toen werd Kaïn zeer toornig en zijn gelaat betrok. En de Here zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken?’ Dat is veel begrijpelijker Nederlands dan het Nederlands van de Statenvertaling, maar wat staat nu dichter bij de grondtekst? Volgens Jaap Goedegebuure in De Schrift herschreven luidt een preciezere vertaling: ‘Waarom valt je gezicht?’ Hij voegt daaraan toe: ‘Men denke maar even aan de uitdrukking: ‘‘Zijn gezicht hangt op de grond.’’ De eveneens mogelijke vertaling ‘‘waarom kijk je niet op’’, met de bijbetekenis ‘‘waarom kijk je je broer niet aan’’ laat ik voor wat ze is.’ Al die mogelijke varianten geven aanleiding tot uiteenlopende interpretaties van het bijbelverhaal van Kaïn en Abel. In het knappe hoofdstuk van Jaap Goedegebuure over Kaïn en Abel blijkt het voor de interpretatie van het gebeuren steeds van groot belang wat er nu eigenlijk in het Hebreeuws staat.

Iedereen die dolgraag weten wil wat er in het Hebreeuws staat, kan sinds kort beschikken over een vertaling van de eerste vijf bijbelboeken die dichter bij de grondtekst blijft dan alle voorgaande vertalingen. De hervormde dominee P. Oussoren biedt onder de titel De stem uit het vuur een vertaling aan van de eerste vijf bijbelboeken, die, zoals de flaptekst luidt, ‘zoveel mogelijk recht doet aan het Hebreeuws van het origineel’. Ik kan zeggen dat het weinig minder dan een ‘openbaring’ is om deze vertaling te lezen. Nu pas zie je dat we bij die eerste bijbelboeken te maken hebben met een lang episch gedicht, dat verwant is met zovele andere grote religieuze epische gedichten. De tekst is ook als een gedicht gezet, en daarom lees je alles wat er staat in een nieuw licht. De passage over Kaïn en Abel luidt in deze vertaling als volgt:

Abel, ook hij bracht iets:
van de eerstelingen van zijn wolvee,
van hun vet;
de AANWEZIGE slaat acht
op Abel en op zijn mincha;
op Kaïn en zijn mincha heeft hij geen acht geslagen;
dat brandt hevig bij Kaïn
en zijn aanschijnstrekken vervallen.
Dan zegt de AANWEZIGE tot Kaïn:
waarom is het bij jou zo ontbrand en
waarom zijn je aanschijnstrekken vervallen?

In ieder geval is het nu duidelijk dat de Statenvertaling bepaald dichter bij het origineel gebleven is dan de Nieuwe Vertaling, waarvan het verschijnen indertijd zoveel twist en tweedracht veroorzaakt heeft.

Maar het blijft behelpen met zo’n vertaling. Neem de eerste zin uit de bijbel. Oussoren heeft daarvan gemaakt: ‘Sinds den beginne is God de schepper van de hemelen en (de) aarde.’ Dat is in feite een revolutionaire vertaling, want als je zegt ‘Sinds den beginne’ in plaats van ‘In den beginne’, zoals de Statenvertaling en de Nieuwe Vertaling luiden, impliceer je daarmee dat God steeds schepper is gebleven. ‘In den beginne’ impliceert juist dat God alleen gedurende een bepaalde, welomschreven tijd schiep. Oussoren is zich daarvan goed bewust, want in een boeiende voetnoot zegt hij: ‘Elke suggestie dat God slechts in een of andere begintijd scheppend bezig is geweest wil ik vermijden.’ Hij vermeldt dat er nog een andere vertaling van die eerste woorden mogelijk is. Die werd gegeven door W. Barnard: ‘Van hoofde aan is God de schepper’, en hij voegt daaraan toe: ‘Barnards weergave doet meer dan de mijne recht aan het verband tussen (be-)resjit en rosj (hoofd); beresjit zou in het Nederlands ook kunnen luiden ‘‘De hoofdzaak is dat...’’ – Denk aan het ‘‘en tei archei’’ van de Septuaginta en het ‘‘In principio’’ van de Vulgata, maar dan maakt de notie van de tijd plaats voor ‘‘het principe’’, wat (met nog dubieuzere connotaties) ook gebeurt in vertalingen als ‘‘In de grond van de zaak’’ en ‘‘In principe’’. Eventueel zou kunnen: ‘‘Beginsel is dat...’’, maar ik verkies maximale aansluiting bij het In den beginne van de Statenvertalers.’

Toch klinkt ‘Sinds den beginne’ al totaal anders dan ‘In den beginne’! Als ik, toen ik vernam dat er een evolutietheorie bestond, toch geweten had dat je ook lezen kunt: ‘Sinds den beginne is God de schepper.’ Want iemand die scheppend bezig blijft, kan ook van evolutie gebruikmaken om de soorten te ‘creëren’, terwijl iemand die ‘In den beginne’ alles in zes dagen geschapen heeft, zulks uiteraard niet kan doen.

Hoe het ook zij, het feit dat deze eerste vijf bijbelboeken afgedrukt zijn als een gedicht, maakt je je er veel beter bewust van dat je te maken hebt met een fantastisch epos, met een groots gedicht, en daardoor schuift de vraag of je alles wat daar staat als letterlijke waarheid moet geloven, vanzelf naar de achtergrond. Niet dat dat nu nog een probleem voor me zou zijn, maar ik wou dat ik in mijn jeugd deze vertaling al had mogen bezitten. Dan zou mij heel wat vreugdeloos getob bespaard zijn gebleven. Dan had ik misschien toen al sneller en zonder al te veel gepieker ingezien dat we hier te maken hebben met een verheven sprookje dat uitnodigt tot declamatie en recitatie in plaats van geloof.
Is de leegte niet een weldaad, geeft stilte niet veel rust, waarom moet onder leiding van dominees, goeroes, therapeuten en anderen alles kapot gezingeeft worden?

Gebruikersavatar
PietV.
Moderator
Berichten: 14040
Lid geworden op: 21 sep 2004 20:45
Locatie: Rotterdam

Re: De Schrift betwist - Maarten "t Hart

Bericht door PietV. » 18 nov 2013 20:38

Deel 4


De oudste zoon

Hoewel de bijbel uit een heterogene verzameling geschriften bestaat, blijkt er toch één thema te zijn dat steeds terugkeert. Door de hele Schrift heen treffen wij broederparen aan. Steevast blijkt de oudste een schurk en de jongste een engel. Het eerste broederpaar treffen wij al in Genesis 4: Kaïn en Abel. Beiden brengen een offer, maar God slaat zonder duidelijke reden acht op het offer van Abel en negeert het offer van Kaïn. (M. A. Beek zegt daarover in Wegen en voetsporen van het Oude Testament: ‘We moeten nu eenmaal, zoals Calvijn zegt, aan God toestaan om voor zijn zaak redenen te hebben die wij niet kunnen begrijpen. Maar daarom blijft het raadsbesluit voor ons wel donker en onaanvaardbaar.’ ‘Onaanvaardbaar’, wat fantastisch dat een dominee dat woord rustig in de mond neemt!) Dat Kaïn vervolgens zijn broeder vermoordt, lijkt een wat overspannen reactie op het feit dat God zijn offer niet erkent, maar wie de hele bijbel leest begrijpt Kaïn beter. Vanwaar toch die haat van God tegen eerstgeborenen?

Bij het tweede broederpaar, Ezau en Jakob, vinden wij exact hetzelfde patroon. Ook hier wordt, zonder duidelijke reden, de eerstgeborene gehaat. De echo daarvan vinden we zelfs in Maleachi 1 vers 2 en 3: Jakob heb ik liefgehad, Ezau heb ik gehaat. Aan broederpaar Ezau en Jakob ging overigens al het halfbroederpaar Ismaël en Isaäk vooraf. De oudste, Ismaël, wordt met moeder en al de woestijn ingejaagd; de jongste, Isaäk, is voorbestemd om voorvader van een groot volk te worden.

Jakob heeft geen twee, maar twaalf zonen. Van die twaalf zijn de twee jongsten, Jozef en Benjamin, uiteraard de oogappels van hun vader. De oudsten werpen hun broer Jozef eerst in een put en verkopen hem daarna als slaaf naar Egypte. De eerstgeborene, Ruben, is ook hier weer de grote boosdoener. In Genesis 35 vers 19 22 wordt verhaald hoe hij Bilha, de bijvrouw van zijn vader, bestijgt. Voor straf wordt hem zijn eerstgeboorterecht ontnomen. Met andere woorden: men pakt hem iets schimmigs af wat zijn broers niet eens hebben. (In het apocriefe boek Jubileeën 33 vers 10 worstelt de schrijver met de vraag waarom Ruben niet gestenigd werd. Hij wijt dat aan het feit dat toentertijd de wetten betreffende incest nog niet bekend waren gemaakt.)

Met hoeveel intense haat God eerstgeborenen beziet, blijkt duidelijk uit het verhaal van de tiende plaag. Daarbij doodt God ‘iedere eerstgeborene in het land Egypte, van de eerstgeborene van Farao, die op zijn troon zou zitten, tot de eerstgeborene van de slavin achter de handmolen, ook alle eerstgeborenen van het vee’. Met dat laatste heb ik als kind altijd grote moeite gehad. Waarom werden zelfs van de dieren, die er niets aan konden doen dat Farao het volk Israël niet liet gaan, de eerstgeborenen omgebracht? De Israëlieten konden deze ramp afwenden door hun deurposten en bovendorpels te bestrijken met het bloed van eenjarig kleinvee.

Al tijdens die tiende plaag treedt een broederpaar op dat vier dikke bijbelboeken zal beheersen: Mozes en Aäron. Is Mozes de oudste? Kennelijk, want in Exodus 2 vers 1 wordt verteld dat een Leviet huwt en dat diens vrouw een zoon baart. Dat is Mozes. Toch blijkt Mozes verderop een oudere zuster te hebben. De eerstgeborene is hij dus niet, maar Aäron moet wel jonger zijn. Omdat Mozes niet de eerstgeborene is, ontbreekt het vertrouwde patroon. Toch kun je ook niet beweren dat God Mozes onvoorwaardelijk liefheeft. Integendeel, Mozes heeft een moeizame verhouding met God. Hij mag, hoewel hij het volk Israël al die jaren door de woestijn heeft geleid, uiteindelijk het Beloofde Land niet ingaan. Indertijd vond ik dat verbijsterend onrechtvaardig. Vele malen heb ik met betraande ogen Deuteronomium 34 gelezen: Mozes’ dood. God laat Mozes op de berg Nebo, de top van de Pisga, het hele Beloofde Land zien. Dan zegt God: ‘Ik heb het u met uw ogen laten zien, maar gij zult daarheen niet overtrekken.’ Die woorden hebben jarenlang door mijn hoofd gedreund. Ze bezegelden maar al te duidelijk de bijbelse boodschap dat God alleen de jongsten liefheeft.

Na Mozes en Aäron treedt er in het Oude Testament nooit meer zo’n opvallend broederpaar op.Toch blijken ook verderop in het Oude Testament de eerstgeborenen altijd de schurken te zijn. Davids eerstgeborene was Amnon. Deze Amnon wordt verliefd op zijn zuster Tamar en in 2 Samuel 13 wordt ons omstandig verhaald hoe Amnon haar in zijn slaapkamer weet te lokken. In het veertiende vers overweldigt, onteert en verkracht hij haar. Waarop hij veel later door knechten van zijn broer Absalom gedood wordt. Dat het met Absalom zelf, Davids derde zoon, ook slecht afloopt, lijkt haaks te staan op het bijbelse hoofdthema, maar bedenk wel: hij is niet de jongste zoon. Na hem komen nog vele andere zonen. Een van hen, Salomo, is de uitverkorene. Hij is de tweede zoon van David en Bathseba. Van de eerste, oudste zoon van David en Bathseba wordt ons in 2 Samuel 12 verteld: ‘De Here sloeg het kind, dat de vrouw van Uria aan David gebaard had, met een ziekte.’ Na zeven dagen sterft die eerstgeborene. ‘Daarna,’ zo zegt het Woord, ‘troostte David zijn vrouw Bathseba; hij kwam tot haar en had gemeenschap met haar, zij baarde een zoon en hij noemde hem Salomo. De Here nu had hem lief.’

Ook hier hetzelfde patroon: twee zonen, van wie de oudste, als straf voor het overspel van zijn vader, door God omgebracht wordt, hoewel het kind er geen schuld aan heeft dat zijn vader zijn moeder aan een andere man ontstolen heeft. Eigenaardig is natuurlijk dat de jongste, óók ontsproten aan het overspelige paar, niet alleen blijft leven, maar ruimhartig door God bemind wordt. Ook David, de weerzinwekkendste en bloeddorstigste schurk uit het hele Oude Testament, was trouwens een man naar Gods hart, en dus ook, u raadt het, de jongste thuis, net als de befaamde richter Gideon.

Als Samuel op zoek is naar de nieuwe koning van Israël, vervoegt hij zich bij het huis van Isaï. Die toont hem al zijn zonen, van de oudste af, maar telkens moet Samuel zeggen: deze is het niet. Als alle zonen lijken te zijn geweest, vraagt Samuel: ‘Zijn dit al de jongens?’ Daarop zegt de vader: ‘De jongste ontbreekt nog; zie, hij weidt de schapen.’ Uiteraard blijkt die jongste dan weer de uitverkorene te zijn.

Opmerkelijk is dat er in het Nieuwe Testament zo’n fraaie echo opklinkt van dit verbazend consistente oudtestamentische leidmotief. In Lucas 15 vers 11 tot 32 verhaalt Jezus de gelijkenis van de verloren zoon. Jezus begint zijn verhaal met de woorden: ‘Iemand had twee zonen.’ Hier lijkt de jongste voor de verandering nu eens de minst deugdzame te zijn. Met zijn erfdeel reist hij af. Hij verkwist het ‘in een leven van overdaad’. Als hij ten slotte, tot armoede vervallen, zijn buik begeert te vullen met de schillen van de varkens, besluit hij terug te keren naar zijn ouderlijk huis. Hij wil zijn vader smeken: ‘Stel mij gelijk met een uwer dagloners.’ Als hij eenmaal thuis is, wordt voor hem het gemeste kalf geslacht. Iedereen verheugt zich over de terugkomst van de jongste zoon, behalve, uiteraard, de oudste zoon. Die is zwaar gegriefd en verwijt zijn vader dat deze hem zelfs nooit een geitenbokje heeft gegeven om met zijn vrienden feest te vieren.

Ook hier, kortom, blijkt nogmaals dat de oudste, zoals dat bij het offer van Kaïn al het geval was, in feite de verongelijkte is, de échte slechtaard. Voor mij als oudste zoon was dat, toen ik dat patroon eenmaal had opgemerkt, verbazend moeilijk te begrijpen en te verwerken. En het hielp niet om braaf of oppassend te zijn, want al bracht je een offer, dan nog kon je overkomen dat God er geen acht op sloeg. En was je braaf, des te groter de kans dat het je dan zou vergaan als de oudste zoon uit de gelijkenis van Jezus. Maar al te goed was ik mij ervan bewust dat ik, als ik die oudste zoon geweest was, weliswaar geen geitenbokje zou hebben begeerd om daarmee feest te vieren, maar wel hevig verongelijkt zou zijn geweest. God, kortom, heeft gelijk: de oudste zonen deugen niet.
Is de leegte niet een weldaad, geeft stilte niet veel rust, waarom moet onder leiding van dominees, goeroes, therapeuten en anderen alles kapot gezingeeft worden?

Gebruikersavatar
PietV.
Moderator
Berichten: 14040
Lid geworden op: 21 sep 2004 20:45
Locatie: Rotterdam

Re: De Schrift betwist - Maarten "t Hart

Bericht door PietV. » 22 nov 2013 22:35

Deel 5


Drie maten meelbloem

In zijn fameuze boek Wegen en voetsporen van het Oude Testament zegt M. A. Beek: ‘Toch heeft Mozes zijn God niet in alle heerlijkheid gezien. Die kan geen mens zien en zelfs Mozes niet.’ En even verderop deelt hij nog mee: ‘Want Hij is de Heilige die niemand zien kan of mag.’ Dat God niet gezien kan of mag worden, is iets wat Beek blijkbaar fascineert. Tweemaal komt hij er in zijn boek
nog op terug. De eerste keer zegt hij: ‘Niemand kan God zien zonder te sterven.’ En een paar bladzijden verderop luidt het weer: ‘Wie God ziet, moet sterven.’

Beek heeft het van geen vreemde. In Exodus 33 vers 20 lezen wij: ‘En hij zegt: je zult niet bij machte zijn om mijn aanschijn te zien; want nooit ziet de – roodbloedige – mens mij aan en overleeft het!’ Mozes mag, zo blijkt even later, alleen Gods achterkant zien. Exodus 33 vers 23: ‘Weghalen zal ik mijn handpalm en zien zal je mijn achterkant; mijn gelaatstrekken zullen niet worden gezien.’

Toch blijken er uitzonderingen op deze regel te bestaan. In Richteren 6 vers 22 constateert Gideon dat hij de Engel des Heren heeft gezien, en hij begrijpt meteen dat hij moet sterven. Maar dan lezen we in het volgende vers: ‘Doch de Here zeide tot hem: Vrede zij u! Vrees niet, gij zult niet sterven.’

Ook de vader van Simson is, als hij de Engel des Heren heeft gezien, ervan overtuigd dat hij zal sterven (Richteren 13 vers 22). Zijn echtgenote maakt zich, zo blijkt in de volgende verzen, nergens zorgen over.

Al eerder had Jozua bij Jericho een man met een uitgetrokken zwaard gezien, die zichzelf voorstelde als ‘de vorst van het heer des Heren’. Jozua vraagt: wat heeft mijn heer te zeggen? en de verschijning antwoordt dat Jozua zijn schoenen uit moet trekken ‘want de plaats waarop gij staat, is heilig’.

In deze gevallen zou je nog kunnen opmerken dat zowel Jozua en Gideon alsook de ouders van Simson niet God zelf, maar slechts een Engel des Heren aanschouwen, net zoals, eerder al, Bileam op zijn ezelin. Abraham echter krijgt God bij de eikenbossen van Mamre onaangekondigd aan de deur. En er kan geen misverstand over bestaan, Hij laat zich aan Abraham zien. Oussoren vertaalt aldus: ‘Dan laat zich aan hem zien de aanwezige, bij de godseiken van Mamre, – die wordt gezien, terwijl hij in het heetst van de dag zit te rusten in de ingang van de tent.’

Wie God ziet, moet sterven? Kennelijk niet. Abraham nodigt God uit bij hem zijn voeten te wassen en onder een boom ‘neer te leunen’, zoals Oussoren vertaalt. God laat zich bidden, en leunt neer. Abraham snelt naar de tent en verzoekt Sara om met drie maten meelbloem pannenkoeken te bakken! Dat heb ik als kind altijd zoiets ongelofelijks gevonden. Niet het feit dat je God op bezoek krijgt en al evenmin het feit dat Sara haar tent niet uitkomt om even een blik op Hem te werpen, maar het feit dat Abraham zijn vrouw vraagt om pannenkoeken voor God te bakken! Krijg je God op bezoek, en wat doe je: je bakt pannenkoeken. Wat ik indertijd, vanwege mijn verbazing over die schamele pannenkoeken voor God, over het hoofd heb gezien is dat Abraham ook nog een ‘kalf, teder en goed’ (Statenvertaling) voor God laat klaarmaken en dit tedere kalf serveert met boter en melk. In Genesis 18 vers 8 staat dan: ‘Terwijl hij boven hen geposteerd blijft onder de boom eten zij.’

Hoe ongelofelijk dat is, blijkt wel uit al wat in het Oude Testament verder over God verhaald wordt. Zo’n huiselijk tafereeltje wordt nooit meer geschetst. Nimmer zal God nog iets eten wat door een mens is klaargemaakt. Maar hier, bij Mamre, smult God van Sara’s pannenkoeken.

Zou God ook met Sara hebben kennisgemaakt? Of zou zij al die tijd in haar tent zijn gebleven? Als God, tussen twee happen van zijn pannenkoek door, Abraham aanzegt dat Sara een zoon zal krijgen, barst het oude wijfje in lachen uit.

Wat een zeldzaam komisch tafereel! De Schepper van het ongelofelijke heelal waarin wij leven vereert Abraham met een bezoek, doet zich te goed aan pannenkoeken met klontjes boter en dikke room, en deelt mee dat Sara een zoon zal krijgen. Ik zou er toch tamelijk diep van onder de indruk zijn als God op bezoek zou komen en zoiets zou zeggen, maar Sara schiet alleen maar in de lach. Die denkt: Ja, God kan me nog meer wijsmaken.

Omdat ze, uit het zicht van God, in haar tent lacht, denkt ze blijkbaar dat Hij daar niets van merkt. Mis. ‘Dan zegt de aanwezige tot Abraham: waarom heeft Sara gelachen?’ Daar schrikt Sara van. Vervolgens loochent zij dat zij gelachen heeft.

In het verhaal is steeds sprake van drie mannen. De heilige drieeenheid, zoals ik als kind diverse malen heb horen verkondigen? Maar verderop staat dat twee van de drie ‘engelen’ zijn. Die twee gaan al op weg naar Sodom, en Abraham blijft met de aanwezige achter om over de verdelging van Sodom te discussiëren. Alles wat Abraham zegt om God van zijn voornemen af te brengen om het stadje uit te roeien, blijkt vergeefs. Korte tijd later wordt Sodom weggevaagd. Alleen Lot en zijn twee dochters blijven gespaard. De vrouw van Lot, die op de vlucht even achterom kijkt, wordt een zoutpilaar. Wat origineel van God om iemand zo ter dood te brengen! Wat kan Hij toch leuk uit de hoek komen!

Wat in Exodus 33 vers 20 staat is dus duidelijk in tegenspraak met dit verbazingwekkende verhaal over Abraham, die met God bij de ingang van zijn tent heeft zitten keuvelen en later nog met Hem een wandelingetje heeft mogen maken.

Bijna 100 hoofdstukken heeft het boek. Het is helaas niet gelukt om de schrijver te overtuigen dat hij voldoende AOW krijgt en "De Schrift betwist" wel in zijn geheel aan mij had kunnen schenken. Dus het blijft beperkt tot deze vijf. Helaas pindakaas, er zitten prachtige stukken tussen die gaan over de tempelreiniging, de bergrede, op weg naar Damascus enzovoort; Voor mensen die het leuk vinden om de bijbel kritisch te doorgronden met Maarten 't Hart als gids, blijft het toch een kwestie om zelf het boek aan te schaffen.
Is de leegte niet een weldaad, geeft stilte niet veel rust, waarom moet onder leiding van dominees, goeroes, therapeuten en anderen alles kapot gezingeeft worden?

Gesloten