Bericht
door Rereformed » 15 dec 2011 08:05
De mooiste uitleg van vrijdenkerij die ik ben tegengekomen is nog altijd wat Nietzsche later toevoegde als voorwoord voor zijn boek Menselijk, al te menselijk. Een lange tekst, maar het lezen waard voor iedereen die zich heeft vrijgevochten van een ooit knellende religie:
Voorwoord Menselijk, al te menselijk
1
Men laat mij vaak met opgetrokken wenkbrouwen weten dat al mijn werken een gemeenschappelijke, kenmerkende eigenschap hebben: zij zouden stuk voor stuk, zo zegt men, strikken en netten bevatten voor onvoorzichtige vogels, en bijna voortdurend een bedekte uitnodiging zijn om gewone waarden en gewaardeerde gewoonten om te keren. Wat? Alles alleen maar -menselijk-al te menselijk? Met deze verzuchting zou men mijn boeken dichtslaan, niet zonder enigszins in verlegenheid te zijn gebracht en wantrouwen te hebben gekregen jegens de moraal. Ik zou zelfs mensen ertoe verleiden en aan te moedigen pleitbezorger van de meest verschrikkelijke dingen te worden, alsof mijn boodschap zou zijn dat in deze dingen niets ergers schuilt dan dat ze de meest belasterde zaken zijn. Men heeft mijn geschriften een leerschool in de argwaan genoemd, méér nog een leerschool van verachting, gelukkig ook van moed, van de roekeloosheid zelfs. Inderdaad, zelf geloof ik niet dat iemand de wereld ooit met zo'n diepe argwaan bekeken heeft, en niet alleen als toevallige advocaat van de duivel, maar evenzeer, om het theologisch te formuleren, als vijand en uitdager van God; en wie iets van de gevolgen vermoedt die aan de basis van elke diepe argwaan liggen, iets van de huiveringen en angsten van de vereenzaming waartoe elk onvoorwaardelijk verschil van blik de ermee behepte veroordeelt, zal ook begrijpen hoe vaak ik, om uit te rusten van mijzelf, als het ware om tijdelijk even mijzelf te mogen vergeten, ergens een schuilplaats heb gezocht - in de een of andere bewondering of vijandschap of wetenschappelijkheid of lichtzinnigheid of domheid; en ook waarom ik, wanneer ik niet vond wat ik nodig had, het op kunstmatige wijze heb moeten afdwingen en naar behoefte vervalsen en verdichten (hebben dichters ooit iets anders gedaan? en waar dient alle kunst ter wereld anders voor?). Wat ik steeds weer het dringendst nodig had voor mijn kuur en revalidatie, was het geloof niet in die mate alleen te zijn, alleen te zien, een magisch vermoeden van verwantschap en gelijkheid van oog en begeerte, een uitrusten in het vertrouwen van de vriendschap, een blindheid à deux zonder argwaan of vraagtekens, een genieten van voorgronden, oppervlakten, van het nabije, het naaste, in alles wat kleur, huid en schijnbaarheid heeft. Het kan zijn dat men mij in dit opzicht allerlei 'kunst', dwz allerlei subtiele valsemunterij zou kunnen verwijten: bijvoorbeeld dat ik willens en wetens mijn ogen heb gesloten voor een lange lijst van zaken. Maar stel dat dit allemaal waar zou zijn en dat dit alles mij met goede reden verweten wordt, wat weten jullie ervan, wat konden jullie ervan weten, hoeveel listigheid omwille van het zelfbehoud, hoeveel rede en hogere bescherming bij zo'n zelfbedrog is inbegrepen, -en hoeveel onoprechtheid nog voor mij nodig is om mij steeds weer de luxe van mijn waarheidsliefde te kunnen veroorloven?...Enfin, ik leef nog; en het leven is nu eenmaal geen bedenksel van de moraal: het wil misleiding, het leeft van de misleiding...maar heeft men niet gelijk? begin ik niet alweer met wat ik altijd gedaan heb, ik, oude moralist en vogelvanger - praat ik niet immoreel, amoreel, 'voorbij goed en kwaad'?-
2
-Zo heb ik dan op een keer, toen ik er behoefte aan had, ook de 'vrije geesten' verzonnen: zulke 'vrije geesten' zijn er niet, waren er niet, -maar ik had ze destijds, zoals gezegd, als gezelschap nodig, om goedgeluimd te blijven onder barre omstandigheden (ziekte, vereenzaming, buitenland, lusteloosheid, leeglopen): als dappere kerels en spoken, met wie men keuvelt en lacht als men zin in keuvelen en lachen heeft en die men naar de duivel zendt als ze vervelend beginnen te worden, -als een schadeloosstelling voor onbekende vrienden. Dat zulke vrije geesten ooit zouden kunnen bestaan, dat ons Europa onder zijn zonen van morgen en overmorgen zulke montere, vermetele kerels zal tellen, in levende lijve en tastbaar, en niet, zoals in mijn geval, alleen als schaduwbeelden en schimmenspel van een kluizenaar: daar zou ik nooit aan willen twijfelen. Ik zie hen reeds komen, langzaam, langzaam; en wie weet doe ik iets om hun komst te bespoedigen wanneer ik van tevoren beschrijf onder welk gesternte ik hen zie ontstaan, over welke wegen ik hen zie komen.-
3
Men mag vermoeden dat voor een geest waarin het type van de 'vrije geest' eenmaal zijn volmaakte rijping en zoetheid zal bereiken, de beslissende gebeurtenis in een grote vrijmaking heeft bestaan, en dat hij daarvóór des te meer een geketende geest was en voorgoed aan de hoek of zuil gekluisterd scheen. Wat bindt het sterkst? Welke touwen zijn welhaast onbreekbaar? Bij mensen van een hoge, uitgelezen soort zullen het de plichten zijn: die eerbied die de jeugd past, die schroom en kiesheid tegenover al het vanouds vereerde en waardige, die dankbaarheid voor de grond waaruit zij groeiden, voor de hand die hen leidde, voor het heiligdom waarin zij leerden te aanbidden, -het zijn hun hoogste ogenblikken zelf die hen het sterkst zullen binden, het duurzaamst verplichten. De grote vrijmaking komt voor aldus geketenden plotseling, als een aardschok: de jonge ziel wordt eensklaps geschokt, losgescheurd, weggescheurd, zij begrijpt zelf niet wat er gebeurt. Een aandrift en aandrang gebiedt en overmeestert haar als een bevel; een wil en wens wordt wakker om weg te vliegen, waarheen ook, tot elke prijs; een heftige, gevaarlijke nieuwsgierigheid naar een nog niet ontdekte wereld vlamt en flakkert in al haar zinnen. 'Liever sterven dan hier te leven', - zo klinkt de dwingende stem en verleiding: en dit 'hier', dit 'thuis' is alles wat zij tot dan had liefgehad! Een plotselinge schrik en argwaan tegenover de dingen waarvan zij hield, een bliksemschicht van minachting voor wat haar 'plicht' heette, een oproerig, eigenmachtig, vulkanisch schokkend verlangen naar een nomadisch bestaan, vreemde landen, vervreemding, koude ontnuchtering, bevriezing, een haat tegen liefde, misschien een tempelschendende greep en blik achterwaarts, daarheen waar zij tot nu toe aanbad en minde, misschien een gloed van schaamte om wat zij zojuist deed en tegelijk een jubel omdat zij het deed, een dronken, innerlijk, jubelend huiveren waarin zich een triomf verraadt -een triomf? waarover? over wie? een raadselachtige, problematische, twijfelachtige triomf, maar hoe dan ook de eerste triomf: dit soort nare, pijnlijke zaken behoren tot de geschiedenis van de grote vrijmaking. Zij is tegelijkertijd een ziekte, die de mens kan verwoesten, deze eerste uitbarsting van kracht en wil tot zelfbeschikking, tot een zelfstandig vaststellen van waarden, deze wil tot de vrije wil: en hoeveel ziekte komt niet tot uiting in de woeste pogingen en grillen waarmee de bevrijde, de vrijgemaakte zichzelf nu zijn macht over de dingen tracht te bewijzen! Hij doolt wreedaardig rond, met een onbevredigde wellust; voor wat hij buitmaakt moet de gevaarlijke spanning van zijn trots boeten; hij verscheurt wat hem ergert. Met een boosaardige lecht draait hij alles om wat zich gesluierd, door de een of andere schroom gespaard, aan hem voordoet: hij beproeft hoe deze dingen eruit zien wanneer men ze omkeert. Er zit iets van willekeur en van genot in wanneer hij hij zijn genegenheid misschien nu dát schenkt, wat dus dusverre in een kwade reuk stond, -wanneer hij nieuwsgierig en uitdagend rondom het verbodene sluipt. Op de achtergrond van zijn doen en dolen -want hij is onrustig en doelloos onderweg als in een woestijn -staat het vraagteken van een steeds gevaarlijker nieuwsgierigheid. 'Kan men niet alle waarden omkeren? En is goed misschien kwaad? en God alleen maar een sluwe uitvinding van de duivel? Is alles in laatste instantie misschien vals? En als we bedrogenen zijn, zijn we dan niet daarom juist ook bedriegers? moeten we niet ook bedriegers zijn?'- zulke gedachten leiden en verleiden hem steeds verder voort, steeds verder weg. De eenzaamheid omgeeft en omsingelt hem steeds dreigender, wurgender, zijn hart steeds dichter rijgend, deze vreselijke godin en geduchte moeder van alle begeerten - maar wie weet tegenwoordig nog wat eenzaamheid is?..
4
Van deze ziekelijke vereenzaming, de woestijn van deze experimentele jaren, is het nog een lange weg naar die geweldige overvloeiende zekerheid en gezondheid die het zonder de ziekte, als middel en vishaak van de kennis, niet kan stellen, naar de rijpe vrijheid van de geest, die evenzeer zelfbeheersing en tucht van het hart is, en die de toegang tot vele tegenovergestelde denkwijzen mogelijk maakt-, naar die innerlijke overdaad en verwenning van de grote rijkdom, die het gevaar uitsluit dat de geest bijvoorbeeld zelf in zijn eigen wegen vastloopt en verliefd op ze wordt en bedwelmd in een hoekje blijft zitten, naar dat overschot aan plastische, genezende, nabootsende en herstellende krachten, dat nu juist het bewijs is van grote gezondheid, een overschot dat de vrije geest het gevaarlijke voorrecht verleent op proefondervindelijke grondslag te leven en zich aan het avontuur over te geven: het meesterschapsvoorrecht van de vrije geest! Er kunnen lange jaren van genezing tussen liggen, jaren vol bonte, pijnlijk-toverachtige veranderingen, beheest en in toom gehouden door een taaie wil tot gezondheid, die zich vaak al als gezondheid durft te kleden en verkleden. Er zit een tussenstadium in, waaraan een mens met deze lotsbestemming later niet zonder ontroering terugdenkt: een bleek, fijn geluk van licht en zon behoort ertoe, een gevoel van vogel-vrijheid, vogel-uitzicht, vogel-overmoed, een mengeling van nieuwsgierigheid en discrete verachting. Een 'vrije geest' -dit koele woord is in die toestand weldadig, het is bijna verwarmend. Men leeft, niet meer gekluisterd aan liefde en haat, maar zonder ja, zonder nee, uit vrije wil nabij, uit vrije wil veraf, ontglippend waar het wil, uitwijkend wanneer het wil, wegfladderend, weer weg, weer omhoogvliegend; men is verwend, als ieder die ooit eens een immense verscheidenheid onder zich heeft gezien, - en men werd de tegenpool van hen die zich bezorgd maken over dingen waarmee zij niets te maken hebben. Inderdaad, de vrije geest heeft voortaan alleen nog maar te maken met dingen, vele dingen, die hem geen zorg meer baren...
5
Een stap verder in de genezing: en de vrije geest nadert het leven weer, zij het langzaam, bijna weerspannig, bijna wantrouwig. Het wordt weer warmer om hem heen; gevoel en medegevoel krijgen diepte, allerlei dooiwinden strijken over hem heen. Het is hem bijna te moede alsof hem nu pas de ogen voor het nabije opengaan. Hij is verwonderd en zit stil te denken: waar was hij toch? Deze nabije dingen, zo vlak bij hem: hoezeer veranderd komen ze hem nu voor! Wat een dons, wat een bekoring hebben ze intussen gekregen! Hij kijkt dankbaar terug, - dankbaar voor zijn trektochten, zijn hardheid en zelfvervreemding, zijn vergezichten en vogelvluchten in koude hoogten. Hoe goed is het dat hij niet als een teerhartige duffe baliekluiver altijd veilig 'thuis', altijd 'bij zichzelf' gebleven is! Hij was buiten zichzelf: dat lijdt geen twijfel. Nu ziet hij zichzelf pas-, en voor wat een verrassingen komt hij daarbij niet te staan! Wat een onbeproefde huiveringen! Wat een geluk ook, zelfs in de vermoeidheid, de oude ziekte, het terugvallen van de genezende! Wat bevalt het hem goed, stil te zitten, lijden, geduld te spinnen, in de zon te liggen! Wie is er zo goed vertrouwd met het geluk in de winter, met de zonnevlekken op de muur, als hij! Het zijn de dankbaarste dieren van de wereld, en ook de bescheidenste, deze het leven half toegewende genezenden en hagedissen: -er zijn er onder hen die geen dag laten voorbijgaan zonder een klein loflied aan zijn achternaslepende zoom te hangen. En in ernst gesproken: het is een grondige kuur tegen elk pessimisme (de kanker van de oude idealisten en leugenaars, zoals bekend-) om op de manier van deze vrije geesten ziek te worden, een behoorlijke tijd ziek te blijven en daarna nog langer, nog langer, gezond, dwz 'gezonder', te worden. er ligt wijsheid in, levenswijsheid, om zichzelf de gezondheid lange tijd slechts in kleine dodes voor te schrijven.
6.
Omstreeks die tijd kan het ten slotte gebeuren, onder het plotselinge licht van een nog onstuimige, nog veranderlijke gezondheid, dat zich voor de vrije, steeds vrijere geest het raadsel van die grote vrijmaking begint te ontsluieren, het raadsel dat tot dusverre vaag, dubieus, bijna onaanraakbaar in zijn geheugen had liggen wachten. Lange tijd durfde hij zich bijna niet af te vragen: 'waarom zo afzijdig? zo alleen? zo alles afzwerend wat ik bewonderde? de bewondering zelf afzwerend? waarom deze hardheid?, deze argwaan, deze haat tegen de eigen deugden?' - maar nu waagt en vraagt hij het hardop en hoort al iets van een antwoord. 'Je zou heer en meester over jezelf moeten worden, óók over je eigen deugden. Vroeger waren zíj je gebieders; maar zij mogen slechts jouw werktuig zijn, naast andere werktuigen. Je zou macht over je voor en tegen moeten krijgen en de kunst leren verstaan ze uit en in te schakelen, al naar gelang je hogere doeleinden. Je zou het perspectivische in elke waardeschatting moeten leren begrijpen - de verschuiving, vertekening en schijnbare teleologie van de horizonten en wat allemaal nog meer bij het perspectivische hoort; en ook de domheid met betrekking tot tegenovergestelde waarden en alle intellectuele verliezen waarmee elk voor, elk tegen betaald wordt. Je zou de noodzakelijke onrechtvaardigheid in elk voor en tegen moeten leren begrijpen, de onrechtvaardigheid als iets wat onlosmakelijk bij het leven hoort, het leven zelf als iets wat van het perspectivische en de onrechtvaardigheid afhangt. Je zou vooral onder ogen moeten zien waar de onrechtvaardigheid altijd het grootst is: namelijk daar waar het leven het kleinst, engst, gebrekkigst, rudimentairs ontwikkeld is en toch niet kan nalaten zichzelf als doel en maat van de dingen te zien en ter wille van zijn behoud heimelijk en kleingeestig en voortdurend van het hogere, grotere, rijkere kruimels af te breken en het in twijfel te trekken, -je zou het probleem van de rangorde onder ogen moeten zien, en hoe macht en recht en breedheid van perspectief samen hoog opschieten. Je zou...-genoeg, de vrije geest weet inmiddels welk 'je moet' hij gehoorzaamd heeft, en ook wat hij nu kan, wat hij pas nu -mag...
7
Zo geeft de vrije geest zichzelf uitsluitsel over dat vrijmakingsmysterie en door zijn geval te veralgemenen eindigt hij er ten slotte mee het volgende oordeel over zijn ervaring te vellen. 'Zoals het mij verging', zegt hij bij zichzelf, 'moet het iedereen vergaan in wie een taak belichaamd wil worden en 'ter wereld' wil komen.' De geheime kracht en noodzakelijkheid van deze taak zullen zich onder en in zijn afzonderlijke lotgevallen doen gelden als een onbewuste zwangerschap, -lang voordat hij zelf de taak in ogenschouw heeft genomen en haar naam kent.Onze bestemming beschikt over ons, ook wanneer wij die nog niet kennen; het is de toekomst die ons heden de wet voorschrijft.
Born OK the first time