Het verwoord beter mijn standpunt dan ik zelf kan ....
Lees even mee ;
Het probleem dat godsdienst heet
Ik beschouwde mezelf nooit als iemand die over godsdienst schreef, tot een godsdienst mij in het vizier nam. De godsdienst hoorde natuurlijk bij mijn thema’s, hoe kon dat anders bij een schrijver uit het Indiase subcontinent? Maar ik vond dat ik veel andere, vettere, interessantere katten te geselen had. Tot de luide, repressieve, brutale aanval kwam en ik de confrontatie moest aangaan en moest beslissen welke waarden ik zou verdedigen.
Zestien jaar later heeft de godsdienst ons allemaal in het vizier. De meesten van ons denken waarschijnlijk, zoals ik ooit deed, dat ze wel andere en belangrijkere zorgen hebben. Toch moeten we ons allemaal tegen de uitdaging verzetten.
Doen we dat niet, dan zou het wel eens de kat kunnen zijn die óns geselt.
Voor wie in India is opgegroeid, in de nasleep van het geweld van de jaren 1946-’47, na de scheiding tussen India en Pakistan, blijft de herinnering aan dat bloedbad een verschrikkelijke waarschuwing voor wat mensen in naam van hun god kunnen doen. En we hebben in India te veel herhalingen van dat geweld gehad – in Meerut, in Assam en laatst nog in Gujarat. De Europese geschiedenis heeft eveneens keer op keer bewezen hoe gevaarlijk het is wanneer godsdienst zich met politiek bemoeit: de Franse godsdienstoorlogen, de bittere strijd in Ierland, het ‘katholieke nationalisme’ van de Spaanse dictator Franco, de vijandige legers van de Engelse burgeroorlog, die dezelfde psalmen zongen terwijl ze tegen elkaar ten strijde trokken.
De mens is altijd in de godsdienst op zoek gegaan naar het antwoord op de twee grote levensvragen: waar komen wij vandaan en hoe moeten wij leven?
Maar op de vraag van de herkomst geven alle godsdiensten het verkeerde antwoord.
Het heelal is niet in zes dagen geschapen door een superkracht die op de zevende dag uitrustte. Het werd niet door een hemelgod in een reusachtige karnton gekarnd. En op het sociale vlak is de eenvoudige waarheid dat elke godsdienst die de touwtjes van de maatschappij in handen krijgt zich tot een tiran ontpopt. Kijk naar de inquisitie of de Taliban.
Dat belet de godsdiensten niet om te blijven beweren dat zij een bevoorrechte toegang hebben tot ethische waarheden en dus een bijzondere behandeling en bescherming verdienen.
Ze blijven ontsnappen uit de wereld van het persoonlijke (waar ze thuishoren, zoals zoveel andere dingen die aanvaardbaar zijn wanneer ze in privé gebeuren, tussen gewillige volwassenen, maar onaanvaardbaar in het openbaar).
Ze blijven naar macht streven.
De opkomst van de radicale islam hoeft geen commentaar, maar de wederopstanding van het geloof gaat verder dan dat.
In de Verenigde Staten kan vrijwel iedereen – vrouwen, homo’s, Afro-Amerikanen, joden – kandidaat zijn voor een hoog ambt en zelfs worden verkozen.
Maar iemand die er openlijk voor uitkomt dat hij of zij atheïst is, moet daar niet eens aan denken. Daardoor wordt het Amerikaanse politieke betoog voortdurend schijnheiliger.
De huidige president ziet zichzelf volgens Bob Woodward als
een “boodschapper” die het “werk van God” doet, terwijl “morele waarden” een codewoord is geworden voor ouderwetse, homo’s hatende, abortus veroordelende kwezelarij.
Na hun nederlaag lijken ook de Democraten die gemakkelijke weg in te slaan, misschien omdat ze bang zijn dat ze anders nooit meer een verkiezing zullen winnen.
Volgens Jacques Delors, de gewezen voorzitter van de Europese Commissie, “zal de botsing tussen gelovigen en ongelovigen in de volgende jaren een dominant aspect zijn van de betrekkingen tussen de VS en Europa”.
In Europa beschouwt men de aanslag op het station in Madrid en de moord op de Nederlandse filmregisseur Theo van Gogh als waarschuwingen dat men de seculiere principes die aan de basis van een humanistische democratie liggen, moet verdedigen en versterken.
Nog voor die aanslagen plaatsvonden, kreeg de Franse beslissing om religieuze symbolen zoals islamitische hoofddoeken te verbieden de steun van het volledige politieke spectrum. De islamistische eisen om gescheiden leslokalen en gebedspauzes werden eveneens afgewezen.
Weinig Europeanen noemen zich vandaag de dag nog godsdienstig. Slechts 21 procent, zegt een recente studie over de Europese waarden, tegenover 59 procent van de Amerikanen (volgens het Pew Forum).In Europa was de Verlichting een ontsnapping aan de macht van de godsdienst om het denken in te perken. In Amerika was ze een ontsnapping naar de godsdienstvrijheid van de Nieuwe Wereld, een beweging naar het geloof toe in plaats van weg ervan. Veel Europeanen vinden de huidige Amerikaanse combinatie van religie en nationalisme angstaanjagend.
De uitzondering op het Europese secularisme is in Groot-Brittannië te vinden, bij de regering van Tony Blair, de vrome christen die steeds meer autoritaire trekjes toont. Hij probeert nu een wet tegen “aansporing tot religieuze haat” door het parlement te jagen, in een cynische poging om stemmen te ronselen bij de Britse moslims, die zowat elke kritiek op de islam als beledigend beschouwen.
Journalisten, juristen en een lange lijst van openbare figuren hebben gewaarschuwd dat deze wet de vrije meningsuiting ingrijpend zal beperken en dat ze haar doel nooit zal bereiken, omdat ze meer in plaats van minder religieuze conflicten zal uitlokken. Blair en zijn regering lijken niets dan minachting te hebben voor de burgerlijke vrijheden.
Want we hebben misschien hard voor die vrijheden gevochten en ze zijn ons misschien dierbaar, maar hoe belangrijk zijn ze als er een verkiezing te winnen is?
We moeten ons verzetten tegen Blairs toegevingen aan de godsdienst. Misschien zal het Britse Hogerhuis doen wat het Lagerhuis niet kon en die slechte wet naar de prullenmand verwijzen.
En misschien, ook al lijkt dat veel onwaarschijnlijker, zullen de Amerikaanse Democraten inzien dat zij in het ge lijk verdeelde Amerika van vandaag meer te winnen hebben door zich tegen de Christelijke Coalitie en haar bondgenoten te verzetten dan door toe te laten dat het wereldbeeld van Mel Gibson het Amerikaanse sociale en politieke beleid gestalte geeft. Als dat niet gebeurt, als Amerika en Groot-Brittannië aanvaarden dat de religie het openbare debat beheerst en domineert, zal het westerse bondgenootschap onder steeds meer druk komen te staan en zullen die andere gelovigen, degenen die wij verondersteld worden te bestrijden, reden tot juichen hebben.
“Elk dorp heeft een toorts, de schoolmeester, en een brandblusser, de pastoor”, schreef Victor Hugo. Wij hebben meer leraren en minder priesters in ons leven nodig, want zoals James Joyce ooit zei:
“Geen ketterij of filosofie boezemt de kerk zoveel afschuw in als het menselijke wezen.”
Maar misschien verwoordde de grote Amerikaanse advocaat Clarence Darrow het seculiere argument nog het beste:
“Ik geloof niet in God,” zei hij,
“want ik geloof ook niet in Moeder de Gans.”[/