Wat Van Praag in dit artikel doet is 'spinnen'. Nu we kunnen aanwijzen hoe religiositeit biologisch verankerd is, lijkt het laatste beetje mystiek rond religieuze ervaringen weggenomen. Het is een biologisch fenomeen.
Van Praag vindt dat onbevredigend en probeert er dus een andere draai aan te geven:
Van Praag schreef:Voor zover bekend, ontbreken ’religieuze circuits’ in de hersenen van dieren. Zij kwamen tot ontwikkeling bij homo sapiens, omdat ze hem tot nut waren; ze bevorderen zijn aanpassing aan het bestaan. Zij boden evolutionair gezien voordelen. Dat ’nut’ kan in psychologische termen worden beschreven.
1. Religie als bron van zingeving. Er zijn vele bronnen van zingeving waaruit mensen putten, zegt Van Praag, maar
"God staat aan de top van die lijst. God is het ultieme zingevende concept. Hij is het zinnebeeld van absolute moraliteit en bovenmenselijke autoriteit. God heeft verwachtingen. Hieraan te voldoen is voor de religieus ontvankelijke mens zowel opdracht als bron van bevrediging."
2. God (of Maria, of Jezus) als emotioneel klankbord. Als zo'n klankbord ontbreekt, neigt men ernaar
"het ’hogerop’ te zoeken, zich te wenden tot een metafysische instantie, tot God, om zo het gemoed tot bedaren te brengen.", schrijft Van Praag.
3. God als vervulling van wederzijdse afhankelijkheidsrelaties.
"Ik beschouw relaties gebaseerd op afhankelijkheid als uitingen van psychische volwassenheid, tenminste als er sprake is van wederzijdse afhankelijkheid. De een vult aan, waar de ander zich zwak weet. Onwil of onvermogen dergelijke relaties aan te gaan, maakt iemand eenzaam, onvervuld. Toenadering tot God kan dan uitkomst bieden. Tot hem staat de mens per definitie in een afhankelijkheidsrelatie."
4. God als vervulling van de behoefte gevoelens van verwondering en dankbaarheid een plaats te geven.
"Verwondering dat er überhaupt leven bestaat, dat de aarde niet ’woest en ledig’ is. Verwondering roept bewondering op. Sommigen projecteren die bewondering op God, het zinnebeeld van scheppingskracht."
Als je er vanuit gaat dat God bestaat, schrijft Van Praag, verder, dan kun je de hardwiring in het brein ook zien als middel waarmee God mensen ontvankelijk maakt voor Hem.
Maar Van Praag gaat er vanuit dat die vier punten die hij noemt al een krachtig argument zijn voor het theïsme.
Welke verklaring men ook voor plausibel houdt, ik veronderstel dat de religieuze circuits ontstonden en stevig biologisch verankerd werden omdat zij de mens tot voordeel strekten. Zij ontwikkelden zich bij de gratie van een behoefte. De behoefte ontstond niet als gevolg van disfunctionerende hersencircuits.
Ik kan geen krachtiger argument bedenken voor de existentiële betekenis van religiositeit. Ik zie in de neurotheologische gegevens dan ook een triomf van het theïsme.
Ik vind dit een zeer pover argument. Twee van de drie (no. 2 en 3) beschrijven hoe de mens het goddelijke gebruikt als een surrogaat voor normale menselijke relaties. En het eerste en de laatste beschrijven wel hoe de behoefte aan een metafysische instantie 'werkt', maar niet bieden geen argument waarom er ook daadwerkelijk zo'n instantie ('God') zou zijn.