In verhalen wordt uitgebeeld hoe deze zoon zijn vijanden verslaat en zijn koninklijke troon bestijgt. Zo is er een hele lijst van dit soort helden of verlossers: Osiris, Horus, Krishna, Bacchus, Orpheus, Hermes, Balder, Adonis, Hercules, Attis, Mithras, Tammuz van Syrië, Thor (zoon van Odin), Beddru van Japan, Deva Tat van Siam en nog vele meer.
Kersey Graves citeert in zijn boek 's Werelds Zestien Gekruisigde Verlossers een profetie van de Perzische godheid Zoroaster: "Een maagd zal zwanger worden en een zoon baren. Een ster zal verschijnen en schitteren midden op de dag om de gebeurtenis te verkondigen. Als gij de ster ziet, volgt hem waar hij ook gaat. Aanbid het mysterieuze kind, biedt hem offergaven aan in diepe nederigheid. Hij is voorzeker het Almachtige Woord dat de hemelen heeft geschapen. Hij is voorwaar uw Heer en eeuwige Koning".
Timothy Freke en Peter Gandy onderzochten de nauwe parallellen tussen de Grieks-Romeinse Mysteriegodsdiensten (later door de kerk verboden) en het vroege Christendom. In het boek Was de 'Originele Jezus' een heidense god? tonen zij aan dat het tegelijkertijd of bijna tegelijkertijd voorkomen van die parallellen niet wijst op een oorzaak- of gevolg-verbinding tussen beide geloven. Het verweer uit orthodoxe hoek dat de heidense praktijken een 'voorafbeelding' of 'werk van de duivel' zijn verwijzen zij naar sprookjesland.
Freke en Gandy bewijzen zonder meer dat de Mysteriegodsdiensten en het jonge Christendom gewoon hetzelfde geloof hadden, de zelfde leer, dezelfde rituelen en dezelfde plechtigheden. Om één voorbeeld te geven: in de Osiris/Dionysius mythe is de 'held' de verlosser van het mensdom, een mens geworden god, in een grot op 25 december geboren uit een maagd. Hij wordt bezocht door wijzen uit het Oosten. Hij verandert water in wijn op een bruiloft, hij geneest zieken, drijft duivels uit en verricht wonderen. Hij verandert van gedaante ten overstaan van zijn leerlingen, gaat rijdend op een ezel een bepaalde stad binnen, is verraden voor dertig geldstukken, heeft een maaltijd met brood en wijn. Hij wordt ter dood gebracht op een kruis, daalt neer in de onderwereld en verrijst na drie dagen, stijgt op ten hemel en zit aan de rechterhand van God als een goddelijke rechter.
Maar… hij stelt symbolisch de christus voor en dat is: het goddelijke in iedere mens en niet een historische figuur!
Het grote en wezenlijke verschil tussen de Jezus-verhalen uit het Nieuwe Testament en de heidense mythen is dat de heidenen terdege beseften dat hun verhalen en dramatische voorstellingen geen gewone geschiedenis waren maar allegorieën. Bij hen ging het om wat zij beschouwden als een diepere, spirituele en eeuwige waarheid, verborgen in een verzonnen verpakking. De originele mythe was afkomstig uit het oude Egypte en die mythe werd in zijn vormgeving aan tijd en plaats aangepast. De 'grote lijn' bleef in alle aanpassingen echter dezelfde.
Het Christendom heeft van de mythe een letterlijk te verstaan verhaal gemaakt en de hoofdpersoon, Jezus, is tot een geschiedkundige persoon verklaard. Alles écht gebeurd dus! Een gelovige moet nu al zijn vertrouwen op de persoon van Jezus vestigen. Maar op die manier is van het geloof van het jonge Christendom iets anders gemaakt namelijk: het Christenisme, zoals Kuhn het noemt.
In het huidige Christendom, zoals miljoenen gelovigen hebben geleerd, gaat het over het in de geschiedenis arriveren van de Messias, de Zoon van God, als een historisch persoon. En die Zoon is heengegaan maar zal weer terugkomen. Christenen zijn niet voor één gat te vangen.
In het Egyptisch geloof – en in alle zogenaamd 'primitieve' of 'heidense' geloven - kwam de 'Messias', gesymboliseerd in de zon, mythisch. Hij was de 'uitbeelding' en de getuige'' van de Vader, die was neergedaald in de materie. Volgens Herodotus was de Egyptische Jezus, gekend als Iu-em-hetep of Iusu, een van de acht grote goden die bijna 20.000 jaar geleden al worden beschreven in de papyrussen. In de loop der eeuwen kreeg hij verschillende namen maar het mythische verhaal bleef hetzelfde.
De Messias bij de Egyptenaren kwam symbolisch iedere dag en ieder jaar. Hij kwam regelmatig en voortdurend. En die komst werd voorgesteld door gebeurtenissen aan de sterrenhemel. Zonnewende en nachtevening hoorden bij het verhaal. De Egyptische Messias werd niet op een komende kalenderdag verwacht. De natuurverschijnselen aan het firmament herinnerden aan zijn voortdurende komst. En juist die voortdurende herhaling was een aanduiding van de uiteindelijke vervulling. Ooit zou het Godbewustzijn doordringen in de mensheid die dan een koninkrijk van goedheid, waarheid, schoonheid en liefde zou zijn.
Voor de oude Grieken betekende de uiteindelijke vervulling van de komst van het koninkrijk niet het einde van het heelal. Degenen die op een bepaald moment werd 'gered', werden niet opgenomen in een statische eeuwigheid, zij stapten niet uit het kloppende leven.
Verlossing uit het aardse bestaan betekende voor hen de laatste hand leggen aan de ontwikkeling van het moment om op die manier met de ontwikkelingen van 'Het Al' mee te gaan tot de volheid van vergoddelijking was bereikt. Zij wisten niets van een bovennatuurlijke apocalyptische tweede komst. De komst voltrok zich ieder moment aan hen die zich ervoor openden.
De termen 'eind der tijden' en 'eind van de wereld' zijn misverstaan. De Grieken gebruikten daarom altijd woorden die het einde van een bepaalde (leef)tijd, een bepaalde cyclus en een bepaald tijdperk aangaven en niet het finale eind van de wereld, van de kosmos zelf.
En hiermee is dit hoofdstuk afgesloten.
Groeten.
Fons.