lanier schreef:Niets is zo saai, ellendig, verveeld dan de eeuwigheid! Het kan menig in de hemel tot waazin drijven.
Mark Twain gaf bijna honderd jaar geleden een grandioze beschrijving van de doorsnee christelijke gedachten die de geschiedenis opleverde in zijn brief van de uit de hemel gegooide Satan (aan de andere aartsengelen):
“Ik heb jullie over de mens echt niets geschreven wat niet waar was.” Vergeef me deze opmerking van tijd tot tijd weer eens te herhalen in deze brieven. Ik wil dat jullie al deze dingen echt serieus nemen, en heb zelf het gevoel dat als ik van jullie deze brieven kreeg ik dit telkens te horen zou moeten krijgen om het me maar te doen geloven. Want er is niets in de mens waar een onsterfelijke zich niet over zou verbazen. Hij beziet geen enkel ding zoals wij dat bezien, zijn gevoel voor proporties is zeer verschillend van de onze, zijn waardeoordelen wijken van die van ons zozeer af dat zelfs de meest getalenteerde onder ons ze niet zou kunnen begrijpen.
Neem bijvoorbeeld dit: hij heeft een hemel gefantaseerd voor zichzelf en laat datgene waar hij het meest plezier aan heeft -de extase waar het hart van ieder individu uit zijn ras (net zoals ons eigen hart) van overstroomt, de sexuele gemeenschap- er volkomen uit weg! Het is alsof een verdwaald en bijna aan de dood overgeleverd persoon in de hete woestijn door een redder alles aangeboden krijgt waar hij maar naar verlangd heeft, behalve één ding, namelijk water!
Zijn hemel is als hemzelf: vreemd, interessant, verbazingwekkend, grotesk. Op mijn woord van eer, zij bevat geen enkele zaak waar hij werkelijk om geeft. De hemel bestaat enkel en geheel uit bezigheden waar hij bijna niets om geeft hier op aarde. Hij denkt dat hij zeer zeker ervan zal genieten in de hemel. Is dat niet bijzonder vreemd? Interessant, niet? Denk echt niet dat ik overdrijf, want dat doe ik niet. Ik zal jullie de details geven.
De meeste mensen zingen niet, de meesten kunnen het niet eens, en de meeste mensen zullen anderen slechts aan willen horen op voorwaarde dat het hooguit een uur of twee duurt. Merk dit goed op.
Slechts ongeveer twee van de honderd mensen kan een muziekinstrument bespelen, en nog geen vier op de honderd hebben de wens zoiets te leren. Knoop dat ook achter jullie oren.
Vele mensen bidden, maar er zijn er niet veel die er plezier in hebben. Er zijn er die maar wat opdreunen en anderen proberen het zo kort mogelijk te doen.
Er gaan veel meer mensen naar de kerk dan die het echt willen.
Negenenveertig van de vijftig vinden de Sabbat maar een saaie bedoening.
Van alle kerkbezoekers op een willekeurige zondag zijn tweederde de kerkdienst al moe wanneer hij nog maar op de helft is, en de rest kijkt al ruim voor het einde van de dienst op z’n horloge.
Het moment waar men het meest van geniet is wanneer de dominee zijn handen opheft om de zegen uit te spreken. Op dat moment kan men een zacht gemurmel van opluchting de gehele kerk horen rondgaan, duidelijk herkenbaar als een golf van grote dankbaarheid.
Alle volken kijken neer op andere volken.
Alle volken geven af op andere volken.
Alle blanke volken verachten alle gekleurde volken, het doet er niet toe van welke andere kleur, en ze onderdrukken ze zo veel mogelijk. Blanken gaan niet om met ‘negers’, en zullen er zeker niet mee trouwen. Ze laten zwarten niet eens in hun scholen en kerken toe. En alle volken haten de Joden, en kunnen de Jood niet verdragen tenzij hij rijk is.
Ik vraag jullie dit alles goed in gedachten te houden.
Voorts, alle gezonde mensen hebben een gruwelijke hekel aan lawaai. En alle mensen, of ze nu psychisch gezond of ziek zijn, houden van afwisseling in hun leven. Eentonigheid is iets waar ze beslist niet tegen kunnen.
Ieder mens gebruikt voortdurend zijn verstand, onophoudelijk, volgens het mentale aandeel dat hem toebedeeld is. Dit gebruik maken van het verstand is een groot, waardevol, en essentieel onderdeel van een mensenleven. Zowel de zwak- als hoogbegaafden hebben bepaalde gaven die ze met enthousiasme steeds aan opgaven onderwerpen, willen laten zien of perfectioneren. De kleuter die in spelletjes zijn vriendje overtroeft is hier al even goed in als de beeldhouwer, de schilder, de pianist, de wiskundige en de rest. Niemand van hen zou gelukkig zijn indien het verboden zou zijn zijn intellect aan te tonen.
Dit nu zijn de feiten. Jullie weten nu waar het menselijke ras van houdt en waar niet van. Zij heeft nu geheel op eigen kracht een hemel uitgevonden. En raad nu eens hoe die er uit ziet! Zelfs in vijftienhonderd eeuwigheden zouden jullie het niet raden. De schranderste geest die jullie of mij bekend is zou het in vijftigmiljoen aeonen niet raden. Welnu, ik zal het jullie dus vertellen.
1. Allereerst dat buitengewone feit dat mij meteen opviel. Namelijk dat de mens, net als de onsterfelijken, van nature de sexuele gemeenschap veruit boven alle andere geneugten plaatst. En toch laat hij dit weg uit zijn hemel! De gedachte aan seks windt hem buitengewoon op, de gelegenheid ertoe maakt hem helemaal dol. Wanneer hij opgewonden is, is geen risico te groot. Hij offert zo zijn leven, zijn reputatie, alles op –ja, zelfs zijn vreemde hemel zelf- om maar van de gelegenheid gebruik te maken en het tot een climax te laten komen. Vanaf zijn jeugd tot laat op middelbare leeftijd geven mannen en vrouwen aan het paren meer waarde dan aan alle andere geneugten bijelkaar opgeteld. En toch is het precies zoals ik daarnet zei: het bestaat niet in de hemel. In plaats daarvan is het bidden, zo’n grote waarde hechten zij hieraan. En toch is het met dit laatste droevig gesteld, net zoals met al hun andere ‘zegeningen’. Op z’n best en langst zijn ze er onvoorstelbaar kort mee bezig –onvoorstelbaar voor het voorstellingsvermogen van een onsterfelijke natuurlijk. Wat het repeteren betreft is de mens nogal beperkt –het lijkt in niets op de kwaliteiten van een onsterfelijke. Wij die eeuwenlang onophoudelijk en in de allerhoogste extase door kunnen gaan met de gave die alle andere gaven doet verbleken zodat ze niet eens meer de moeite van het opsommen waard zijn, zullen nooit de belabberde armoede van de mens op dit gebied kunnen begrijpen.
2. In de hemel van de mens zingt iedereen! De mens die nooit zong op aarde doet het daar. De man die niet zingen kon op aarde is er daar een meester in. Dit algemene zingen is niet maar af en toe en terloops, en is niet maar een onderbreking van stille perioden, maar is onophoudelijk, de gehele dag door en iedere dag. En allemaal blijven ze, terwijl ze op aarde na een uur of twee het wel voor gezien zouden laten. Men zingt uitsluitend geestelijke gezangen. Of nee, eigenlijk is het steeds één en hetzelfde gezang. De woorden zijn altijd hetzelfde. Het zijn er ongeveer twaalf, zonder rijm en zonder poezie: “Hosanna, hosanna, de Heer Zebaoth. Ra! Ra! Ra! Siss! –Boem...Aaa!”
3. Ertussendoor speelt iedereen op een harp –miljoenen en nog eens miljoenen! En dat terwijl er op aarde maar twintig op de duizend een instrument konden bespelen of er ooit zelfs maar zin in hadden. Stel je het geluid van een stormvloed voor –miljoenen en nog eens miljoenen stemmen schreeuwen uit volle borst en miljoenen en nog eens miljoenen harpen knarsen hun tanden op hetzelfde moment! En nu vraag ik jullie: is dit niet afschuwelijk, is het niet verfoeilijk, is het niet afstotend? Vergeet ook niet het volgende: het is bedoeld als een lofprijzing, een dienst van dank, van vleierij en van verering! Vragen jullie je nu af wie het wel kan zijn die deze vreemde verering kan verdragen, deze krankzinnige vorm van verering, en het niet slechts maar verdraagt, maar er bovendien nog mee in zijn schik is, ervan geniet, het vereist en zelfs gebiedt? Houd jullie adem in! Het is God! Ik bedoel, het is de god van dit ras. Hij zit op een troon, omringd door zijn vierentwintig oudsten en enige andere eerwaarden die als dienaars bij zijn hofhouding horen, en kijkt neer op zijn in vervoering zijnde aanbidders die zich kilometers ver voor Hem uitstrekken, en glimlacht, en spint als een poes, en knikt van voldoening naar het noorden, het oosten, het zuiden. Het is naar mijn mening het allervreemdste en kinderachtigste spektakel dat er in het gehele universum tot nu toe is uitgevonden. Het is duidelijk dat de uitvinder der hemelen voor zo’n festijn niet verantwoordelijk is, maar het een copie is van de festiviteiten van een zielig soeverein staatje ergens in een afgelegen uithoek van het Midden-Oosten. Alle gezonde mensen haten lawaai; en toch accepteren ze dit soort hemel. Klakkeloos, zonder overdenking, zonder onderzoek – ze wíllen zelfs naar zo’n hemel! Diep vrome, oude, grijsharige mannen besteden zelfs een groot deel van hun dromen aan de gelukzalige dag dat ze met de beslommeringen van dit leven mogen ophouden en de geneugten van de hemel mogen smaken. Je kunt aan ze zien hoe onecht het allemaal klinkt in hun oren, hoe weinig serieus ze het nemen, want ze doen geen enkele voorbereidingen voor de grote overgang: je zult ze nooit met een harp in de weer zien, noch ze ooit horen zingen.
Zoals gezegd is deze unieke uitvoering een dienst van lofprijzing. Men prijst met gezang, met op de knieën vallen. De hemel komt in de plaats van ‘kerk’. Op aarde kunnen deze mensen de kerkdiensten niet zo pruimen –een uur en een kwartier op z’n hoogst, en dat slechts één keer per week, op zondag. Één dag van de zeven, en zelfs dan kijken ze er nog niet met veel verlangen naar uit. Stel je nu voor wat hun hemel hen aanbiedt: een kerkdienst die voor eeuwig doorgaat, een sabbat die nooit ophoudt! Híer worden ze al gauw moe van hun wekelijkse kerkdienst, maar toch zien ze uit naar die eeuwige sabbat. Ze dromen ervan, ze spreken erover, ze denken dat ze ervan denken te genieten –met geheel hun simpele hart denken ze er gelukkig te zullen zijn! Dit komt natuurlijk doordat ze in het geheel niet nadenken. Ze denken slechts dat ze denken, terwijl ze in werkelijkheid helemaal niet kunnen denken. Geen twee mensen op de tienduizend hebben iets waarmee ze kunnen denken. En wat de verbeelding betreft –wel, men behoeft slechts te kijken naar hun hemel! Ze accepteren hem, ze keuren hem goed, ze bewonderen hem. Daaraan kun je hun intellectuele begaafdheid meten.
4. De uitvinder van hun hemel laat alle volkeren van de aarde er in rondlopen, één bonte mengelmoes. Ze zijn allemaal absoluut gelijkwaardig, niemand van hen heeft een rang, ze moeten allemaal ‘broeders’ van elkaar zijn, ze bidden samen, ze spelen samen harp, ze hosannen tesamen, blanken, zwarten, joden, iedereen. Er is geen onderscheid. Hier op aarde haat elk volk het andere volk, en ieder volk haat gezamelijk de jood. Maar toch is ieder vroom persoon zeer in zijn schik met deze hemel en hij zou er graag naartoe willen. Echt waar. En wanneer hij in heilige vervoering is denkt hij dat indien hij slechts in de hemel zou zijn hij al dat vreemde volk van harte zou liefhebben en maar omhelzen, omhelzen, omhelzen! Hij is echt een wonder, die mens. Ik zou zo graag willen weten wie hem gemaakt heeft!
5. Ieder mens op aarde is in het bezit van enig intellect, een klein of een groot intellect. En of het nu klein of groot is, hij is er trots op. En het hart van de mens zwelt op wanneer men de namen van de gevierde intellectuele voormannen van zijn ras noemt. Hij geniet van de verhalen over hun geweldige prestaties. Want hij is verwant aan hen en door die voormannen te vieren geeft hij eer aan zichzelf. Zie waar de geest van de mens toe in staat is!, roept hij uit en dan gaat hij de pracht en praal van alle eeuwen door. Hij duidt dan op de onvergankelijke literatuurschatten die zij de wereld hebben geschonken, en de mechanische wonderen die ze hebben uitgevonden, en de enorme prestaties die men in de wetenschap en de kunst heeft verricht. Men neemt zijn hoed af voor deze koninklijke mensen, maakt voor hen zijn diepste en oprechtste buiging waartoe hij maar in staat is. Intellect wordt dus boven al het andere op aarde geprezen en wordt op een ongenaakbare troon geplaatst, hoog verheven boven al het andere. En vervolgens komt hij aan met een hemel waarin niet het minste spoor van intellect te bespeuren valt! Is dit niet vreemd, niet verwonderlijk, niet raadselachtig? En toch is het precies zo als ik juist heb gezegd, zo ongelooflijk als het maar klinkt. Deze oprechte bewonderaar van intellect en de gulle beloner van de diensten van het intellect hier op aarde, heeft een godsdienst en een hemel uitgevonden die geen enkele waardering hebben voor intellect, er totaal geen aandacht voor hebben, niets om intellect geven. In feite maken ze er zelfs nooit enig gewag van. Jullie zullen nu wel opgemerkt hebben dat de hemel van de mens zo uitgedacht en geconstrueerd is dat het aan één kenmerk voldoet. En dat kenmerk is dat het tot in de kleinste details voldoet aan de eis dat het ieder mens grondig tegenstaat en er niets maar dan ook niets te vinden is waar een mens van geniet! Het is inderdaad zo dat hoe meer we deze zaak bestuderen, des te duidelijk het zal worden. Neem dit ter harte: in de hemel van de mens is geen plaats voor verstandelijke bezigheden. Er is daar niets wat voedsel aan het intellect zou geven. Het zou er dan ook binnen het jaar wegrotten, wegrotten en gaan stinken; verrotten en stinken, en op dit punt gekomen zou het heilig worden. Gelukkig maar, want slechts een heilige zou de vreugde van dit gekkenhuis verdragen kunnen.
(
http://www.kolumbus.fi/volwassengeloof/marktwain.htm )