Om de verhalen aan elkaar te lijmen moest men de aartsvaders tot een volk laten uitgroeien, waarvoor men een onbepaalde tijdsperiode nodig had. Over die tijd kon men echter niets zeggen, omdat er geen enkele overlevering over bestond. De bijbelschrijvers waren echter pienter genoeg om in de verhalen over de aartsvaders een goddelijke profetie van een periode van slavernij aan te kondigen, en die in het verhaal van de uittocht op het juiste moment te laten beëindigen. Op die manier kon iedereen zien dat Jahweh altijd alle touwtjes van de geschiedenis in soevereine handen heeft. Om aan de profetie goddelijk gewicht te geven en de latere lezers verbaasd te doen laten staan over de accuratie van "het ware geloof" kwam men aan met een periode van 430 jaar, nee, nóg accurater: "na precies vierhonderddertig jaar –geen dag eerder of later" (Ex. 12:41) (alsof ze van de dag op de hoogte waren dat de periode begon! Terwijl ze nooit een naam van een Egyptische farao kunnen geven
Telkens weer verraden de bijbelschrijvers dat ze alles uit hun duim zuigen. Al in Exodus 1:9 wordt door een farao "die Jozef niet gekend had" opgemerkt dat "de Israëlieten te sterk voor ons zijn en te talrijk". Let wel, dit zegt de farao van het land Egypte dat 1500 voor Christus één van de grootste wereldmachten was, en uiterst zorgvuldig zijn eeuwenlange koningsgeschiedenis bewaarde en koesterde, en slechts een paar generaties later leefde dan het minuscule groepje Hebreeërs dat Egypte binnentrad!
Denk nog eens aan de 600.000 dappere strijders ten tijde van de uittocht, en probeer dan eens Gods gebod om het Paasmaal te gaan vieren (Ex. 12:3) uit te voeren. We hebben dus zo'n half miljoen mannen die het hoofd van hun familie zijn, en hebben dus een half miljoen lammetjes of bokjes van het mannelijk geslacht nodig en van één jaar oud! De rijkdom van de Israëlieten, de omvang van de gehele kudde en de hoeveelheid grasland dat dit vereist, is -hoe bijbelvriendelijk men ook zou willen rekenen- astronomisch.