Het is ironisch dat Kuitert om deze uitspraak beroemd is geworden, terwijl het enige wat uit zijn uitspraak geconcludeerd kan worden is dat hij (en ik en duizenden soortgelijken) anderhalve eeuw achterloopt. Het is namelijk precies waar Ludwig Feuerbach in 1841 al een heel boek over schreef om het aan te tonen.collegavanerik schreef:Harry Kuitert schreef: alles wat we van Boven zeggen komt van beneden, ook als we zeggen dat het van Boven komt.”
( zie: http://www.kolumbus.fi/volwassengeloof/feuerbach.htm )
Sinds ik Feuerbach gelezen heb ben ik diep onder de indruk van dit geweldige boek, en snap ik niet waarom het in de vergetelheid is geraakt. Voor mij is dit boek de ultieme sleutel tot het begrijpen van al het religieuze denken, tot het begrijpen van mezelf.
"In religie beschouwt men zijn eigen latente natuur."
"Theoretisch bezien is de leer van de schepping op lucht gebouwd, het heeft zijn oorsprong slechts in de wens aan utilisme te voldoen, aan egoïsme toe te geven. De leer is niets anders dan alles reduceren tot een bevel. Er is hierin geen speelruimte voor denken, voor overdenken, er is slechts een resultaat dat als object voor menselijk nut gezien kan worden. "
"Eerst schept de mens onbewust en zonder dat hij het wil God naar zijn eigen beeld, daarna schept God bewust en als uiting van zijn wil de mens naar Zijn evenbeeld. Dit komt sterk tot uiting in de ontwikkeling van de religie van Israël. Het is gemakkelijk het eenrichtingsverkeer op te merken: de openbaring van God gaat gelijk op met de ontwikkeling van de mensheid. Natuurlijk, want de 'openbaring van God' is niets anders dan het leren kennen, het blootleggen van de menselijke natuur. De bovennatuurlijke zegeningen van het Joodse volk gingen niet uit van de Schepper, maar de laatste werd geschapen door het egoïsme van de eerste. Het denkbeeld van schepping was de rechtvaardiging voor het egoïsme, in geval het voor de rechtbank van zijn rede gesteld werd."
"God is de Liefde die al onze wensen vervult, onze emotionele behoeften bevredigt. Hijzelf is de realisatie van de hartewens, de wens die de zekerheid van haar vervulling opeist, de zekerheid van haar werkelijk bestaan. De wens eist ontwijfelbare zekerheid, zekerheid waar geen enkele tegenstrijdigheid meer vat op heeft, geen enkele ervaring van de externe wereld nog tegen kan spreken. Zekerheid is de hoogste macht van de mens. Dat wat voor hem zeker is, is het essentiële, het goddelijke. De meest verheven uitdrukking van het christendom is de frase "God is liefde". Deze frase heeft als geen ander doel dan de zekerheid uit te drukken waarmee een mens zijn eigen gevoel poneert. De mens bedoelt ermee te zeggen dat zijn gevoel voor liefde alleen als essentieel gezien mag worden, dat dit gevoel alleen als objektieve werkelijkheid en waarheid beschouwd mag worden, dwz dat dit alleen goddelijke macht heeft. Hij wil ermee uitdrukken dat niets in de gehele wereld, met al zijn glans en uiterlijk vertoon, opweegt tegen dit menselijk gevoel. 'God is liefde' betekent hetzelfde als 'het gevoel is de God van de mens', zelfs nog sterker: 'het gevoel is de enige absolute God, het Absolute Wezen'."
"Gebed is niets anders dan de wens van het hart uitgedrukt in het vertrouwen dat de wens verwerkelijkt zal worden. Het wezen dat deze wensen vervult is niets anders dan het menselijk gevoel, de menselijke ziel die naar zichzelf luistert, er goedkeuring aan verleent, en zichzelf zonder aarzelen bevestigt."
"God is het ja-woord op menselijk gevoel. Gebed is het onvoorwaardelijk vertrouwen dat het subjektieve gelijk is aan het objektieve. Gebed is de zekerheid dat de macht van het hart groter is dan de macht van de Natuur, dus dat de behoefte van het hart de ultieme noodzaak is, het lot van de wereld bepaalt."
"Zoals in alle onderdelen van de religie is het subjektieve het belangrijkste, de oorzaak van alles, het subjektieve is het objektieve feit. Het is zeer oppervlakkig gebed uit te leggen als een uiting van afhankelijkheid. Natuurlijk is het ook daarvan een uiting, maar men dient in te zien dat het afhankelijkheid is van de mens van zijn eigen hart, van zijn eigen gevoel. Hij die zich slechts afhankelijk voelt hoeft zijn mond nog niet open te doen om te bidden. Afhankelijkheid geeft hem het gevoel behoeften te hebben en wanneer hij zich daarvan bewust wordt kan het ook tot gevolg hebben dat hij de moed verliest ze uit te spreken, of het verlangen uitdooft. De wortel van het gebed is in het onvoorwaardelijk vertrouwen op het eigen hart, het hart dat zich eenvoudig gelijk maakt aan de gedachte dat het Absolute Wezen, de almachtige, oneindige natuur van de Vader des mensen, gunstig gestemd is, ontfermend en liefdevol is, en dat de heilige gevoelens van de mens goddelijke realiteiten zijn."
"Geloof is niets anders dan vertrouwen in de werkelijkheid van het subjektieve, van alles wat in tegenstrijd is met de beperkingen of wetten van de natuur en de rede. Het geloof houdt zich dus in de eerste plaats bezig met wonderen. Geloof is eenvoudig het equivalent van geloven in wonderen. Geloof en wonderen zijn absoluut onafscheidelijk. Voor geloof is niets onmogelijk en het wonder geeft het een steuntje in de rug; wonderen zijn louter voorbeelden van waar het geloof toe in staat is. Grenzeloosheid, bovennatuurlijkheid, de verheffing van gevoelens -trancendentie is de essentie van geloof."
" Is het mogelijk voor u in een God te geloven die u gunstig gezind is, indien u zelf wanhoopt aan de mens, indien Hij niets voor u te betekenen heeft? Wat anders is God dus dan de mens zelf, de onvoorwaardelijke zelf-liefde van de mens? Indien u gelooft dat God voor u is, gelooft u dat niets tegen u is of tegen u kán zijn, en dat niets in tegenstrijd tot u is. Maar in dat geval gelooft u eigenlijk dat u zelf God bent! Dat we God als een ander wezen beschouwen is slechts illusie, slechts verbeelding. Door te verklaren dat God voor u is, doet u niets anders dan te verklaren dat hij uw eigen persoon is. Geloof is dus niets anders dan de oneindige zelfbevestiging van de mens, de volledige zekerheid dat iemands subjektieve bestaan de objektieve werkelijkheid is, een absoluut bestaan is, het bestaan is waarboven niets bestaat."
"Voor de louter emotionele mens is de verbeelding automatisch, zonder dat hij er naar hoeft te zoeken, zonder dat hij er aan denkt, de hoogste, de dominerende aktiviteit. En aangezien het het hoogste is, is het goddelijk, is het de scheppende kracht. Voor hem is gevoel de direkte waarheid, de werkelijkheid. Hij kan zichzelf niet van het gevoel abstraheren, hij kan zich niet erbuiten begeven."
"De dogma's die aan de basis staan van het christelijk geloof zijn allemaal invullingen van de wensdromen van het hart. Anders gezegd, de essentie van het christelijk geloof is identiek aan de essentie van het menselijk gevoel. Het is aangenamer passief te zijn dan te moeten handelen, aangenamer verlost te worden door een ander dan zichzelf te verlossen, aangenamer behoudenis van een persoon af te laten hangen dan van een kracht die men zelf moet zien te produceren, aangenamer een object van liefde voor zich te hebben, dan voor de taak van een grote krachtsinspanning te staan. Het is aangenamer zichzelf door God geliefd te voelen, dan slechts te leven met de eenvoudige natuurlijke liefde voor zichzelf, waarmee alle wezens geboren worden; aangenamer zichzelf te zien in de liefde uitstralende ogen van een ander, dan zichzelf in de holle spiegel van het zelf te zien of in de koude diepten van de oceaan van de Natuur. Kortom, het is aangenamer toe te geven aan de eigen gevoelens en ze te beschouwen als de werkingen van een ander, wiens gevoelens toevallig juist identiek zijn met de eigen gevoelens, dan zichzelf te besturen door de rede. "
"Religie is de relatie tussen de mens en zijn eigen natuur; hierin ligt haar waarheid en haar macht tot morele verheffing. Maar het is de relatie tot de menselijke natuur die de mens niet in zichzelf verwezenlijkt ziet, maar ziet alsof het buiten hemzelf bestaat, zelfs in tegenstelling tot hemzelf staat. En hierin ligt haar onwaarheid, haar onmacht, haar in strijd zijn met de menselijke rede en moraal. Hierin ligt ook de bron van religieus fanatisme, de metafysische oorzaak voor menselijk offeren, kortom de moeder van alle gruwelijkheden, alle weerzinwekkende gebeurtenissen, de tragedie van de religieuze geschiedenis."
"Tussen de goddelijke openbaring en de zogenaamde menselijke rede of menselijke natuur bestaat er geen ander onderscheid dan één gebaseerd op illusie: de inhoud van de goddelijke openbaring heeft een volkomen menselijke oorsprong, want zij is niet uitgegaan van God als God, maar van God als bepaald door de menselijke rede en door menselijke behoeften, oftewel zij is een directe uiting van de menselijke rede en behoeften. Dus via het begrip 'openbaring' plaatst een mens zich buiten zichzelf, om via een omweg weer bij zichzelf terug te komen! Een voorbeeldige bevestiging van de stelling dat het geheim van theologie niets anders is dan antropologie; de kennis van God is niets anders dan de kennis van de mens!"