Op 13 januari zei Sir Iqbal Sacranie, voorzitter van de Britse Moslimraad: “Er bestaat niet zoiets als een islamitische terrorist. Beweren van wel is uiterst kwetsend en moet verboden worden”.
Twee weken later boycotte zijn organisatie een herdenkingsbijeenkomst voor de holocaust ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van de bevrijding van Auschwitz. Als dit het beste is wat hij te bieden heeft, dan is er een probleem.
De traditionele islam is een brede kerk, die zeker miljoenen tolerante, beschaafde mannen en vrouwen omvat, maar ook plaats biedt aan velen wier opvattingen over vrouwenrechten prehistorisch zijn, die homoseksualiteit goddeloos vinden, die weinig geduld opbrengen voor vrijheid van meningsuiting, die uit gewoonte antisemitische uitspraken doen en die, in het geval van de islamitische diaspora (het moet gezegd) in veel opzichten vaak vreemd staan tegenover de (hindoeïstische, joodse, christelijke of niet gelovige) cultuur waarin ze leven.
Waar traditionele moslims bijna afgezonderd van de rest van de bevolking leven, nemen een aantal jongeren blijkbaar de onvergeeflijke stap een morele grens te overschrijden. De vervreemding mag dan zijn oorsprong hebben in de bezwaren van deze jongeren tegen gebeurtenissen in Irak en elders, gesloten gemeenschappen zijn een plek waar een dergelijke vervreemding gemakkelijker ernstige vormen kan aannemen.
Wat we nodig hebben, is een stap voorbij de traditie – niets minder dan een hervormingsbeweging, die de kernbegrippen van de islam een plaats geeft in dit moderne tijdperk; een islamitische reformatie die het niet alleen opneemt tegen de ideologen van de jihad, maar ook tegen de verstikkende scholen van de traditionalisten, die de ramen van de gesloten gemeenschap opengooit om de broodnodige frisse lucht binnen te laten. Het zou goed zijn wanneer regeringen en gemeenschapsleiders van binnen en buiten de moslimwereld zich met al hun gewicht achter dit idee zouden scharen, omdat het voor het tot stand brengen en onderhouden van een degelijke hervormingsbeweging vooral nodig is dat er aan het onderwijs een nieuwe impuls wordt gegeven die misschien pas na een generatie merkbaar effect zal opbrengen – en dat een nieuwe wetenschappelijke traditie de plaats inneemt van de dictaten der letterlijkheid en benauwde dogma’s waardoor het huidige moslimdenken wordt geplaagd.
Het is voor elke moslim interessant te weten dat de islam de enige godsdienst is waarvan de oorsprong historisch is vastgelegd en dus op feiten berust en niet op mythen. De koran werd geopenbaard in een periode dat de Arabische wereld aan grote veranderingen onderhevig was: in de 7de eeuw vond een omwenteling plaats van een matriarchale nomadencultuur naar een stedelijk patriarchaal systeem. Als wees ondervond Mohammed zelf de moeilijkheden van die overgang en het is mogelijk de koran te lezen als een pleidooi voor de oude matriarchale waarden in de nieuwe patriarchale wereld, een conservatief pleidooi dat revolutionair werd vanwege de aantrekkingskracht op iedereen die in het nieuwe systeem zijn rechten kwijtraakte: de armen, de machtelozen en, jawel, de weeskinderen.
Mohammed was ook een succesvol koopman en kwam op zijn reizen in aanraking met nestoriaanse christenen en hún woestijnversies van de bijbel, die de koran nauw volgt (in de koran wordt Christus geboren in een oase, onder een palmboom). Het moet voor iedere moslim fascinerend zijn te zien hoezeer hun geliefde boek een product is van zijn tijd en plaats en op hoeveel verschillende manieren het de eigen ervaringen van de Profeet weerspiegelt.
Het is echter maar weinig moslims toegestaan geweest hun religieuze geschrift op deze manier te bestuderen. De hardnekkige opvatting binnen de islam dat de tekst van de koran het onfeilbare, directe woord van God is, maakt elke analytische wetenschappelijke discussie onmogelijk. Hoe zou God immers beïnvloed kunnen zijn door de socio-economische situatie van het 17de-eeuwse Arabië? Hoe zouden de persoonlijke omstandigheden van de Boodschapper iets te maken kunnen hebben met de Boodschap?
De weigering van de traditionalisten naar de geschiedenis te kijken, speelt de letterlijke islamofascisten in de kaart en stelt hen in staat de islam te gijzelen met hun ijzeren zekerheden en absolutismen. Maar als de koran wordt beschouwd als een historisch document, dan zou het wel legitiem zijn het boek als zodanig opnieuw zó te interpreteren, dat het van toepassing kan zijn op de nieuwe omstandigheden in een nieuw tijdperk. Wetten uit de 7de eeuw zouden plaats kunnen maken voor behoeften uit de 21ste eeuw.
De islamitische reformatie moet beginnen met het accepteren van het idee dat alle denkbeelden, zelfs de heilige, aangepast moeten worden aan de veranderlijke werkelijkheid. Ruimdenkendheid is verwant aan tolerantie, een open geest is een broertje van vrede. Alleen op die manier kan men de ‘zware uitdaging’ aangaan die wordt gevormd door de plegers van de aanslagen.
Zouden Sir Iqbal Sacranie en zijn soort mensen ook vinden dat de islam moet worden gemoderniseerd? Zo ja, dan maken zij deel uit van de oplossing. Zee nee, dan blijven ze ‘traditioneel’ deel van het probleem.
(extract uit Shalimar de clown van Salman Rusdie)
De rustige, begrijpende, niet té agressieve lezer zal denken dat een en ander – mutatis mutandis – ook op andere groeperingen slaat. (Om het héél voorzichtig uit te drukken.)
Fons.