Devious schreef:Ach, misschien kun je ook nog wel even uitleggen waar al het water van de zondvloed vandaan kwam, hoe Noach 2.232.400 dieren kon huisvesten in een bootje van 165 meter lang, 27,5 meter breed en 16,5 meter hoog. En niet alleen die dieren, maar ook tonnen voedsel en drinkwater (voor de Olifanten alleen al 60 ton voedsel en 30.000 liter water, en dit is alleen maar voor de 150 dagen op de Ark). En hoe zat het met Noach's zoetwateraquarium? Ik bedoel voor al die snoeken, voorntjes, brasem's, karpers en de duizenden andere soorten zoetwatervissen (en niet te vergeten duizenden zoetwatermosselen, zoetwaterslakken etc,,).
Ik heb je overigens nog gematst. De dinosauriërs, de enorme megatherium (een luiaard van 6 meter lang), de Indricotherium (een enorme neushoornachtige met een hele lange nek, die zo'n 12 meter hoog kan worden. zelfs een baby is nog enorm), of de holenbeer, of de Andrewsarchus (een prehistorisch roofdier waarbij alles wat we nu kennen in het niet valt) heb ik nog buiten beschouwing gelaten,.

Lees dit nog eens
http://www.freethinker.nl/ark.htm ('Het zoetwateraquarium van Noach')
Als je dit leuke materie vindt, is Hobrinks boekje zeker iets voor je. Hij besteedt dertien-en-een-halve bladzijde aan de ark, en acht-en-een-halve bladzijde aan de zondvloed zelf. Hobrink is niet alleen een creationist, maar ook een aanhanger van de theorie dat de zondvloed allerlei geologische verschijnselen verklaart.
Uiteraard heeft Hobrink ook over jouw probleem nagedacht. Zijnoplossing ligt in het radicaal reduceren van het aantal dieren dat meeging in de ark.
"Hoeveel dieren zaten er daadwekelijk in de ark? In Genesis staat: "Van al wat leeft, zult gij een paar in de ark brengen om het met u
in het leven te behouden. Van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van het kruipende gedierte naar zijn aard, van alles wat
op de aardbodem kruipt" (Genesis 6:19, 20; 7:8)" (Hobrink, 2006, 132)
Hobrink maakt daarvan dat alleen die dieren die in het leven gehouden moesten worden; dus, waarvoor het gevaar bestond dat ze zouden verdrinken, en alleen dieren die zich op of boven de aardbodem bewegen, meeegingen in de ark.
"Met andere woorden: geen waterdieren, zoals vissen en schelpdieren. Ook geen dieren die via hun eitje of larven de watersnood konden overleven, zoals veel insecten en amfibieen. En zelfs geen dieren die via drijvende planten en bomen de watersnood konden overleven, zoals de meeste insecten en ongewervelde dieren." (Hobrink, 2006, 133)
Kortom: hoewel de tekst expliciet zegt dat
alles wat op de aardbodem kruipt, alle kruipende beesten dus, mee moesten in de ark, sluit Hobrink de insekten uit. Hij doet dit door de tekst tweemaal krom te lezen; en het is zo overduidelijk dat ik aarzel om het uit te spellen.
"Van al wat leeft, zult gij een paar in de ark brengen
om het met u in het leven te behouden. Van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van het kruipende gedierte naar zijn aard,
van alles wat op de aardbodem kruipt" (Genesis 6:19, 20; 7:8)"
Hobrink leest "
om het met u in het leven te behouden" als een beperkende, nadere bepaling bij 'van al wat leeft'. Dat is een heel eigenaardige manier van lezen: het begrip 'om te..' is immers een motivering waarom niet gedaan moet worden, geen inperking van wat er gedaan moet worden.
"van het kruipende gedierte naar zijn aard, van alles wat op de aardbodem kruipt" is een typisch Hebreeuwse uitdrukking, zoals, 'de dood sterven', waar tweemaal hetzelfde woord wordt gebruikt, het gaat dus om "kruipsel, dat over de aardbodem kruipt" (Gen. 1:26). Het zijn niet de vogels en het vee dat kruipt en krioelt, maar volgens Hobrink eigen zeggen: kleine landdieren en insekten.
Hij haalt daartoe elders Leviticus 11:29, 30, 32 aan: "Dit zal u onrein zijn onder het wemelend gedierte dat op de grond wemelt: de mol, de muis, en alle soorten padden; en de egel, de waraan en de hagedis, de slak en het kameleon. (...) Alles wat op de buik gaat en alles wat op vier voeten gaat, ook alle veelvoetigen, dat zult gij niet eten, want die zijn een gruwel." (Hobrink, 2006, 109)
Vermakejk genoeg is Hobrink deze definitie van 'kruipers' twintig bladzijden verder vergeten. Maar zoals boven duidelijk wordt stoort Hobrink zich zelfs niet aan de betekenis van de tekst die voor hem ligt, als die hem niet uitkomt.
De tweede methode die Hobrink hanteeert om het aantal dieren drastisch te reduceren, is door 'naar hun aard' te interpreteren als: naar hun basistype (genus). Er ging volgens Hobrink dus 1 paar honden mee, waaruit alle honden zijn ontstaan. Prachtig voorbeeld overigens, gezien de afkomst van honden uit wolven, maar dat terzijde. Je kunt je dan afvragen of er ook tijgers, cheeta's, leeuwen en lynxen meegingen, of alleen huiskatten...
Hobrink komt hiermee op een aantal basistypen van tussen de 1400 en 16000 dat meeging in de ark.
Nu komt hij met een verbluffende uitspraak: "Volgens verschillende wetenschappers zijn de landdieren (zoogdieren, vogels en reptielen), gemiddeld ongeveer zo groot als een rat" (Hobrink, 2006, 135). De dieren zouden dan slechts 3% van de beschikbare ruimte innemen.
"Een andere berekening: Er bestaan ongeveer 20.000 landdiersoorten. Stel dat al sdie
soorten echt in de ark zouden moeten en dat ze gemiddeld zo groot zouden zijn als een schaap. Dan zouden er dus 40.000 schapen in de ark moeten kunnen - van elke soort een mannetje en een vrouwtje. Zoveel schapen gaan in 167 AmerikaansE treinwagons. Zoals reeds aangegeven was de nuttige ruimte van de ark gelijk aan 555 treinwagons en zouden er dus nog 388 wagons overblijven om voedsel in te transporteren." (Hobrink, 2006, 135)
Op de volgende bladzijden worstelt Hobrink in zijn inmiddels bekende stijl van tekstverklaring met het bijbelse gegeven dat van alle reine dieren er
zeven paar mee de ark in gingen. (Genesis 7:2,3)
Het totaalplaatje is echter wel duidelijk. Over de dinosauriers schrijft Hobrink niet, maar ik twijfel er niet aan dat Hobrink een oplossing zou kunnen vinden in babysauriers, of sauruseieren.