Helaas onmogelijk te staven met wat voor bewijs dan ook. Ik ga dan ook uit van hopelijk
Toen wij onze broeders, en zusters, in de bomen vaarwel zeiden en dachten dat het beter was om op de grond onze soort in stand te houden (we liepen nog honderdduizenden jaren nog niet rechtop) geloofde geen mens in (een) god. Grappig: mens ... we waren niet anders dan (één van de vele) diersoorten.
Van lieverlee gingen we rechtop lopen. Gingen we (meer) vlees eten. Dat schijnt namelijk de hersenen gunstig te beïnvloeden. We praten nog steeds over zo'n 3 miljoen jaar geleden. Nog eens een miljoen jaar later (Lucy, et.al) waren er werktuigen. Vertrokken (wij!) uit Afrika richting Europa en Azië.
En nog steeds geen besef van wat voor hemelse identiteit dan ook. Nog steeds, en uitsluitend, het gevecht om het bestaan en, onbewust, het gevecht om het voortbestaan van de soort.
Op komt de Homo sapiens sapiens. Terwijl er 2 soorten mens! naast elkaar leefden (Homo erectus/ergaster en Homo heidelbergensis besloten wij, de sapiens sapiens, en de neanderthalensis, op onszelf te gaan. Zei het dat zij! daar een ruwe 100.000 jaar eerder aan begonnen. Een ander (grappig) dingetje lijkt dat onze directe voorouders de Homo habilis lijken te zijn (en dus niet de erectus) en dat de neanderthalensis geen voorouders lijken te hebben. (dit alles volgens de stamboom van de Hominidae).
We zitten nu op 100.000 jaar geleden. We leven (nog steeds) in groepen. We zijn, blijkbaar, als soort succesvol.
We gaan ons inrichten. We gaan denken aan bestaans-verbeteringen (vuur, graan, bescherming). Mogelijk dat verbeteringen voor jagen een stuk ouder zijn.(valkuilen, camouflage, drijfjacht).
Een uiterst voornaam punt is dat iedereen zijn/haar steentje bijdraagt. Dat is fundamenteel voor het voortbestaan van de groep, uiteindelijk van de soort.
Wat blijkt nu?
Overstromingen kenden we al. Orkanen ook. Vervelend, maar, indien niet al te ingrijpend, overkomenlijk.
Maar het blijkt dat oogsten per jaar kunnen verschillen. Dat groepen dieren (paard, eland, auroch, mammoet) niet elk jaar in even grote getale op kwamen draven. Soms helemaal niet. En dat had vergaande consequenties. Ook voor evenementen als zons/maansverduistering, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen en dat soort zaken waren er (natuurlijk) geen verklaringen.
Kom ik weer terug op de samenwerking. Ik stel me voor dat er toen (ook!) al mensen waren die de echte karweitjes (jacht, gereedschap, eten bereiden, wapens maken) niet zo zagen zitten.
Dat zat de leider (die er ongetwijfeld was) niet lekker.
Na de zoveelste mislukte jacht kwam één van hen op het idee dat maar eens moet worden uitgezocht hoe dat nou kwam (eerste wetenschap???), en wie daar voor verantwoordelijk was en hoe het zou kunnen worden voorkomen. de eerste gegadigden voor deze baan waren volgens mij de personen die toch al niet veel deden.
Op komt de shaman (of vrouw). Natuurlijk konden die niet met (afdoende) verklaringen komen. Het allersimpelste was om in de eigen kring te zoeken. Wie zorgde er (telkens) voor dat de kudde prooidieren op hol sloeg? Wie brak regelmatig een bot? Wiens oogst mislukte (vaak)?.
Zie je wel: oorzaak gevonden.
Gevolg: verstoting. doden. straffen (wat voor dan ook).
Natuurlijk! hielp dat niet. Hoewel: soms wel, en dat gaf een enorme aanzien aan die shaman. Hij/zij had het toch maar mooi opgelost. En als die het dan voor de zoveelste keer fout had, kon ie zelf wel eens het loodje leggen. Sommigen van deze shamannen legden zich ook toe op genezing. Plantenstudie.
Met die studie kwam ook kennis over drugs, halicunerende eigenschappen (en wat je daar gecontroleerd mee kon doen). Maar ook over medicinale eigenschappen.
Hun rol werd geleidelijk aan steeds belangrijker. Van verschoppeling tot elite in een 40.000 - 50.000 jaar.
Nog steeds, echter, geen verklaring voor (echte) natuurrampen.
Op komt de god. En daarmee de priester. Dat was het (enige) juiste antwoord. Er moest een bovenaardse kracht aan het werk zijn. De priester wist het. Had regelmatig contact met de goden en hem/haar werd verteld over het hoe of wat.
In de loop der tijden die volgden werd hun rol steeds belangrijker. Invloedrijker. Ook al wist de (gemiddelde) leider dat wat hem/haar werd verteld niet (kon) kloppen, de gemoedsrust binnen de stam was ook wat waard. Deze (gemiddelde) leider kon echter de priester ook niet weerleggen.
Men, de shaman/priester, begon de eigen 'soort' te beschermen. Je kon dat beroep niet zomaar (gaan) uitoefenen. Je moest bewijzen dat je erbij hoorde. Dat je kon manipuleren. Dat je kennis had van het godenrijk, enz.
Het vervolg is (helaas) bekend.
Dit, volgens mij, verwoord, min of meer, het ontstaan van religie.