Onderstaande lap tekst dient niet als lectuur maar enkel om even aan te tonen hoe "eenduidig" die gulden regel wel niet is.
En dat is dan enkel nog op filosofisch vlak.
Oog in oog met de Dertigjarige Oorlog en zijn gevolgen, zochten ontwikkelde mensen in de periode der Verlichting, vanaf ongeveer 1648 nieuwe, ook van religie en gezindte onafhankelijke en duidelijke ethische grondslagen voor het samenleven in de maatschappij.
Thomas Hobbes beschreef de regel in zijn hoofdwerk Leviathan (1651) als de “som der natuurwetten“, die de overgang mogelijk maakt van de oorlog van allen tegen allen naar een door een geweldsmonopolie geregeerde rechtsorde. Want uit het aanvankelijk onbegrensde streven naar zelfbehoud, zouden zelfs de laaghartigste mensen duidelijk kunnen opmaken dat ze doorlopend in doodsangst zouden moeten leven, als iedereen zich alles ten opzichte van anderen zou veroorloven. Men hoeft zich dus alleen maar te verplaatsen in de in zijn handelen betrokken andere, om te zien of dat wel strookt met het eigenbelang. Daaruit kwam het inzicht voort dat niemand anderen mag aandoen, wat hij voor zichzelf schadelijk vindt. Van daaruit kon men dan anderen dezelfde vrijheden rechten verlenen, waarmee men zelf tevreden was, als iedereen zich daaraan zou houden.[72]
De vroege vertegenwoordiger van de Verlichting, Samuel von Pufendorf, maakte in 1672 een kritische kanttekening: letterlijk genomen, is de regel niet algemeen toepasbaar en kan dus geen basis voor rechtspraak zijn. Want volgens de regel zou bijvoorbeeld een rechter een roofmoordenaar vrij moeten spreken, in plaats van hem tot de doodstraf te veroordelen; een bedelaar zou zoveel gegeven moeten worden, als hij wil en niet zoveel als hij nodig heeft om te kunnen leven. Ook als men geen rekening houdt met toevallige wensen van anderen, maar met hun feitelijke behoeften en rechten, kan de regel geen basis vormen voor het gelijkheidsprincipe, volgens welk alle mensen van nature gelijke rechten hebben, maar veronderstelt die al en volgt daaruit.
Aanhalingsteken openen
Wie gebruikmaakt van de hulp van anderen om vooruit te komen, is verplicht ook zelf offers te brengen, zodat de behoeften van de anderen bevredigd kunnen worden. Daarom zijn mensen die bereid zijn alle anderen toe te staan, wat zij zichzelf veroorloven, het meest geëigend om in een gemeenschap te leven.[73]
Aanhalingsteken sluiten
In navolging van deze kritiek verklaarde Christian Thomasius in 1688 dat de negatieve en positieve vorm van de regel slechts toepasbaar zijn onder gelijkgestelden en niet voor meesters en knechten. Zijn aanvulling Wat gij wilt dat anderen voor zichzelf doen, doe dat ook voor uzelf, vond echter amper gehoor.
Ook John Locke leverde in 1690 kritiek op het gebruik van de regel om het natuurrecht van een basis te voorzien. Iemand die daar nooit van gehoord heeft, maar wel kan begrijpen, zou naar de reden vragen waarom hij de regel moet volgen. Dat zou degene die hem voorstelt verplichten zijn juistheid en redelijkheid te verhelderen. Dat zou dan afhangen van een veronderstelling van buitenaf, waaruit hij dan rationeel af te leiden is. Morele ideeën zijn niet aangeboren, omdat ze dan noch ter discussie gesteld, noch gefundeerd kunnen worden.[74]
Gottfried Wilhelm Leibniz zag in 1765 in de regel echter een praktisch en “instinctief“ kenbare waarheid, die evenwel rationeel nadenken en verklaren vereist. Ze lijkt een rechtvaardige wil als algemeen geldend te veronderstellen, zonder daarvoor een maatstaf aan te geven. Intussen bestaat haar werkelijke betekenis eruit dat men door het omkeren van de rol met de bij het eigen handelen betrokken persoon, tot een evenwichtig en onpartijdig oordeel kan komen. De regel kan dus ook toegepast worden zonder voorafgaande consensus over de rechtvaardigheidsnorm, omdat door zich te verplaatsen in de positie van de ander, de gemeenschappelijke basis van het handelen gevonden kan worden. Pas in zijn toepassing blijkt of de beoogde handelingen of het nalaten daarvan rechtmatig zijn.[75]
Voltaire vatte in 1705 de regel op als een compromis tussen hartstocht en verstand. Anthony Ashley Cooper (1711) en George Berkeley (1731) maakten de regel ondergeschikt aan het algemeen welzijn: niet het kortzichtige eigenbelang, maar het welzijn van alle mensen is de beoogde leidraad voor het handelen. Daarover moet dan wel een maatschappelijk basisconsensus (common sense) bestaan. Daarmee benadrukten zij de noodzaak van de bindende veralgemening (universalisering) van ethische criteria. Dienovereenkomstig verbond in 1758 de rechtsgeleerde Gottfried Achenwall de regel met het principe van de veralgemening.[76]
Jean-Jacques Rousseau zag in 1762 in de oproep tot het vereffenen van belangen, nog geen toereikende basis voor moraal en mensenrechten. Johann Gottfried Herder prees in 1784 daarentegen de regel als de “Regel der gerechtigheid en waarheid“: hij is “de grootse wet van billijkheid en evenwicht van de leidraad der mens“ […] die ook in het hart de onmens gegrift is“.[77]
Samuel Clarke bestempelde de regel als een het universele, het algemeen welzijn dienende principe van het verstand. In het algemeen moet iedereen streven naar het aan de eeuwige wil Gods beantwoordende welzijn en geluk van alle mensen: dit voor iedereen toegankelijk goede kan voor het moment en de toekomst alleen nader bepaald worden door het afzien van elk particulier of persoonlijk voor- of nadeel, van beloning en straf. Onder deze voorwaarden kan de regel in de praktijk toegepast worden: hij onthult dan hoe absurd de ongelijkheid onder mensen is en wijst deze af. Want elke denkbare relatie die iemand tot een ander heeft en daar gebruik van maakt, heeft en doet die ander ook met hem, als hij in precies dezelfde situatie gebracht wordt. Daaruit volgt:
Aanhalingsteken openen
Alles wat ik van iemands handelen ten opzichte van mij verstandig of onverstandig vind, vind ik volgens dezelfde mening verstandig of onverstandig, als ik dat in een vergelijkbaar geval bij hem doe.
Aanhalingsteken sluiten
Als mensen niet corrupt zijn, zouden ze allemaal de universele gelijkheid van alle mensen erkennen en toepassen. De maatstaf daarvoor is, in het bijzonder onder gelijken, eenvoudig en vanzelfsprekend; maar ook in asymmetrische verhoudingen tussen meesters en knechten kan de consequent toegepaste regel onpartijdige beslissingen mogelijk maken, als men niet alleen rekening houdt met alle omstandigheden van de handeling, maar ook met alle verschillen tussen de daarbij betrokken personen. Een rechter hoeft dus niet te bedenken, wat hij uit dezelfde angst of eigenliefde als de misdadiger voor zichzelf zou wensen, maar alleen wat hij in diens positie als een redelijk en op het algemeen welzijn gericht en daarom onpartijdig oordeel voor zichzelf zou verwachten.[78]
Op grond van de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger uit 1789 werd in Frankrijk op 3 september 1791 de eerste grondwet aangenomen. Die werd vervolgens bediscussieerd en op 24 juni 1793 vervangen door een gewijzigde versie, de Franse grondwet van 1793, die echter niet van kracht werd. Hierin luidt Artikel 6:
Aanhalingsteken openen
Vrijheid is de volmacht, die ieder mens alles toestaat, wat de rechten van de ander niet schaadt; haar grondslag heeft zij in de Natuur, haar leidraad in rechtvaardigheid, haar bescherming in de Wet en haar morele grenzen in het grondbeginsel: Doe niemand datgene aan, waarvan je niet wilt dat het jou aangedaan wordt.
Aanhalingsteken sluiten
Immanuel Kant ontvouwde in 1785 zijn categorische imperatief. De eerste formulering daarvan doet, net als de regel, een beroep op de autonome beslissingsvrijheid van het individu:[79]
Aanhalingsteken openen
Handel zo, dat de stelregel van uw wil tegelijkertijd altijd als stelregel van een algemene wetgeving kan gelden.
Aanhalingsteken sluiten
Daarmee verving Kant de toetsing of men het beoogde eigen handelen als de daarbij betrokkene zou wensen, door de toetsing of men zich kan voorstelen dat de eigen wil als wet voor iedereen wenselijk zou zijn. Hij wilde dus dat er bij morele beslissingen afgezien werd van toevallige omstandigheden of individuele belangen en dat die ingepast werden in rationeel aannemelijke en algemeen geldende wetten.[80]
Kants tweede formulering sloot uitdrukkelijk het misbruiken uit van andere mensen als middel voor egoïstische doeleinden:[81]
Aanhalingsteken openen
Handel zo, dat dat gij de mensheid zowel persoonlijk als in de persoon van ieder ander tegelijkertijd als doel, en nooit alleen als middel nodig hebt.
Aanhalingsteken sluiten
In een voetnoot daarbij, benadrukte Kant dat deze imperatief geen intellectuele variant op de “triviale“ regel was, die hij in de negatieve Latijnse vorm citeerde. Het wederkerigheidsprincipe kan “geen algemene wet zijn, want het behelst niet de grondslag van de plichten ten opzichte van onszelf, niet de plicht tot liefde ten opzichte van de ander […], en tot slot niet de verschuldigde plichten ten opzichte van elkaar […].“ Men kan zich dus aan het beantwoorden van naastenliefde onttrekken, door weldaden van anderen af te wijzen, of een misdadiger kan daarmee argumenten aanvoeren tegen zijn rechter.[82] Kants kritiek bracht teweeg dat in Europa de regel, in de discussies over ethiek, op de achtergrond raakte.
19e eeuw
Anders dan Kant, die er afstand van had genomen, stelde Arthur Schopenhauer in 1841 diens eerste categorische imperatief gelijk aan de negatieve regel. Die omschrijft, samen met de positieve vorm, slechts de “door alle moraalstelsels eenstemmig vereiste manier van handelen“:[83]
Aanhalingsteken openen
Kwets niemand, maar help wel iedereen zoveel gij kunt.
Aanhalingsteken sluiten
Daarmee laat Kant dus stilzwijgend alleen het egoïsme beslissen, wat dat als hoogste wet wil erkennen.[84]
In 1863 zag John Stuart Mill de regel, samen met de naastenliefde, als het volmaakte ideaal van het utilitarisme, omdat een op wederkerigheid afgestemd gedrag het eenvoudigst het grootst mogelijke geluk van zo veel mogelijk mensen kan bereiken.[85] In navolging van hem vatte Henry Sidgwick de regel op als de intuïtieve, in de praktijk belangrijkste aanvaarde en vanzelfsprekende uiting van het consistentieprincipe bij morele oordelen:
Aanhalingsteken openen
Welke handeling iemand ook voor zichzelf als juist beoordeelt, hij beoordeelt die dan altijd impliciet als juist voor alle zelfde personen die in gelijke omstandigheden verkeren.
Aanhalingsteken sluiten
Maar die regel is onnauwkeurig geformuleerd, omdat men daarbij medewerking van anderen “in de zonde“ wenst en bereid zou kunnen zijn dat te beantwoorden. Vanwege mogelijke verschillende omstandigheden en aard van de betrokkenen is het ook niet voldoende anderen alleen dat te aandoen, waarvan men aanneemt dat dat ook het juiste is, wat zij ons moeten aandoen. Daarom moet de negatieve vorm van de regel strikt genomen als volgt geformuleerd worden:
Aanhalingsteken openen
Het kan voor A niet juist zijn, B te behandelen op een manier, waarop het voor B onjuist zou zijn, A te behandelen, uitsluitend gebaseerd op het feit dat zij verschillende individuen zijn, zonder enig onderscheid tussen de omstandigheden waarin beiden verkeren, die als een zinnige reden voor een verschillende behandeling aangegeven zou kunnen worden.
Aanhalingsteken sluiten
Voor intermenselijke morele oordelen is deze leidraad echter ontoereikend, want het verplicht degene, die zich over zijn behandeling door anderen zou willen beklagen, te bewijzen dat dit onderscheid afhangt van de situatie en niet van personen.[86]
Friedrich Nietzsche richtte zich op een aristocratisch, amoreel en anti-egalitair voorbeeld.[87] Daarom wees hij in 1887 wederkerigheid af als “niet hoogstaand” en iets “vreselijk laaghartigs.” De regel doet de allereigenste waarde van een handeling teniet en brengt die terug tot afbetalingen voor bewezen diensten. Juist de individuele handeling kan en mag door niemand anders verricht worden. In een diepere betekenis geeft men nooit terug, maar doet men altijd iets eenmaligs: Dat is de reden dat “de aristocratie zich afzondert van de massa,” die in gelijkheid en wederkerigheid gelooft.[88] De ten onrechte als wijsheid beschouwde regel is eenvoudig te weerleggen. Nadere overweging verbiedt handelingen vanwege hun schadelijke gevolgen, met de achterliggende gedachte dat een handeling altijd vergolden wordt:[89]
Aanhalingsteken openen
Wat, als iemand met het “principe“ in de hand zou zeggen: “moet men die handelingen niet juist verrichten, om te voorkomen dat anderen ons inhalen – zodat wij het anderen onmogelijk maken ons iets aan te doen?“ – Anderzijds, laten we een Corsicaan nemen, die door zijn eer tot een vendetta verplicht wordt. Ook hij wil geen geweerkogel in zijn lijf: maar het vooruitzicht op zo’n kogel, de waarschijnlijkheid daarvan, houdt hem er niet vanaf om aan zijn eer te voldoen…En zijn wij niet bij alle fatsoenlijke handelingen even opzettelijk onverschillig ten opzichte van wat daar voor ons uit voortkomt? Een handeling vermijden, die schadelijke gevolgen voor ons zou kunnen hebben – dat zou een verbod betekenen voor elke fatsoenlijke handeling.
Aanhalingsteken sluiten
20e eeuw
George Bernard Shaw leverde in 1903 op een ironische manier kritiek op de regel:
Aanhalingsteken openen
Behandel anderen niet zoals jij zou willen dat zij jou behandelen. Hun smaak zou wel eens niet hetzelfde kunnen zijn.
Aanhalingsteken sluiten
De Gulden Regel is, dat er geen Gulden Regel is.[90] Ernst Haeckel zag in 1904 de “2500 jaar oude” regel Doe eenieder, wat gij wilt dat hij u zou doen, als de “ethische hoofdwet” van zijn monisme.[91]
In 1913 omschreef Max Scheler de regel als uitdrukking van het universele solidariteitsprincipe en het “eeuwige bestanddeel” en de “grondstelling van een kosmos van eindige zedelijke individuen.” Wederkerigheid is wezenlijk voor het mens-zijn, omdat de persoonlijkheid zich slechts kan ontwikkelen in de Ik-Gij-verhouding en alle moreel relevant gedrag teweegbrengt en bepaalt.[92]
In aansluiting op Jakob Friedrich Fries vatte Leonard Nelson in 1917 Kants categorische imperatief op als een wet, die van vrije en gelijke mensen een wederkerige gelijke behandeling vraagt. Daaronder valt ook het “vereiste rekening te houden met hun belangen,” waaruit hij zijn “afwegingswet” afleidde:[93]
Aanhalingsteken openen
Handel nooit zo, dat je niet ook kan instemmen met jouw manier van handelen, als de belangen van de daarbij betrokkenen ook je eigen belangen zouden zijn.
Aanhalingsteken sluiten
Zich in de betrokken personen verplaatsen, om vervolgens een beslissing te nemen naar gelang hun voorkeur, is ontoereikend:[94]
Aanhalingsteken openen
…wij moeten ons achtereenvolgens in de ene en de andere situatie verplaatsen en daarbij van het idee uitgaan, dat in het ene of het andere geval onze belangen met elkaar botsen, zodat wij daartussen een keuze moeten maken en maar aan een van de twee kunnen voldoen, en moeten afzien van het voldoen aan de andere.
Aanhalingsteken sluiten
Edward Wales Hirst zag in 1934 een voordeel in de positieve regelvorm, vergeleken met de categorische imperatief: die is slechts geldig voor een enkele persoon, in de relatie van het individu met de universele zedenwet. Dat sluit echter het gebruiken van anderen als middel voor eigen doeleinden uit, maar staat wel onder bepaalde omstandigheden toe hem schade te berokkenen, als de algemene moraal daarmee gediend is. Daarentegen verlangt de “tussenmenselijke” regel, zich op de naaste te richten, hem te respecteren en ook voor zijn welzijn te zorgen.[95]
In het kader van zijn wetenschapsfilosofie, verklaarde Karl Popper in de jaren dertig van de 20e eeuw dat er geen absoluut criterium bestaat voor morele rechtvaardigheid. De regel is “een goede maatstaf” en behoort tot de belangrijkste ontdekkingen van de mensheid, maar kan in haar leerproces eventueel nog verbeterd worden, bijvoorbeeld “als men anderen, indien mogelijk, behandelt zoals zij behandeld willen worden.”[96] Deze formulering is als “platinaregel” bijvoorbeeld nog steeds in trek bij consultants bij managementcursussen en arbeidsverhoudingen.[97]
In 1948 legde Hans Reiner de regel uit als de met het mens-zijn onlosmakelijke verbonden “zedelijke basisformule van de mensheid.” Hij onderscheidde drie interpretaties: als inlevingsregel eist ze zich in de ander en zijn positie te verplaatsen; als autonomieregel eist ze het eigen handelen, respectievelijk wensen, in dezelfde positie autonoom te beoordelen; als wederkerigheidsregel of de regel met elkaar rekening te houden, legt ze de verplichting op deze beoordeling te baseren op het eigen beoogde gedrag en dat dus te richten op wat wij van anderen willen en verwachten en niet op wat wij voor onszelf willen en wat anderen feitelijk doen. Dat impliceert een ethische norm, namelijk het eerbiedigen van de menselijke waardigheid van de ander, waaruit wederzijdse erkenning en consideratie voortkomen.[98] Daarmee benadrukte Reiner, anders dan Albrecht Dihle, het fundamentele verschil tussen de regel en het vergeldingsprincipe.[99]
Erich Fromm merkte in 1956 op dat de regel zijn populariteit dankte aan een verkeerde uitleg: hij wordt meestal opgevat als billijkheid in de betekenis van het kapitalistische voor-wat-hoort-wat-principe “ik geef jou net zoveel als jij mij geeft.” Volgens dat principe eerbiedigt men de rechten van anderen, zonder zich voor hen verantwoordelijk te voelen of het met hen eens te zijn en ziet men af van bedrog bij het uitwisselen van gebruiksartikelen, maar ook van gevoelens in persoonlijke verhoudingen. Oorspronkelijk betekende de regel echter de bereidheid om, uit naastenliefde voor de medemens, verantwoordelijkheid over te nemen. Het onderkennen van dit verschil met billijkheid is wezenlijk voor de kunst van het liefhebben.[100]
Marcus George Singer onderzocht in 1961 in welke gevallen de door Kants imperatief vereiste veralgemening, een handeling moreel uitsluit: Wat zou er gebeuren als iedereen/niemand dat doet? Deze vraag, verklaarde hij in 1985, omvat ook de door de regel verlangde vraag: Wat zou er gebeuren, als iemand jou/mij datzelfde aandoet? Dit argument berust op het principe:[101]
Aanhalingsteken openen
Wat voor de een juist [of onjuist] is, moet ook voor ieder ander, met soortgelijke individuele veronderstellingen en onder soortgelijke omstandigheden, juist [of onjuist] zijn.
Aanhalingsteken sluiten
Voor het vergelijken van personen en situaties, moet daarom gevraagd worden naar relevante factoren, die dat bijzondere handelen rechtvaardigen. Vandaar dat hij in 1963 een onderscheid maakte tussen een specifieke uitleg van de regel – “doe anderen, wat jij (in dit afzonderlijke geval) in hun plaats zou verwachten” – en de algemene uitleg - “doe anderen, zoals jij (volgens hetzelfde principe) in hun plaats behandeld zou willen worden.” Hij wees de specifieke uitleg af, omdat die gelijkvormige karakters veronderstelt en spaak loopt bij extreme wensen van anderen. De juist opgevatte regel eist dus dat er onderscheid gemaakt wordt tussen wensen van het moment en langdurende belangen van de ander en alleen passend rekening te houden met de laatste.[102] – Op deze uitleg werd echter kritiek geleverd: ook dit onderscheid veronderstelt dat de ander met de eigen, overeenstemmende, gelijksoortige, belangen heeft; bij het buiten beschouwing laten van het afzonderlijke geval zou men dat onder bepaalde omstandigheden helemaal niet kunnen onderscheiden; zodoende verliest de regel zijn concrete toepasbaarheid.[103]
Richard Mervyn Hare analyseerde in zijn in 1963 naar voren gebrachte theorie over moreel argumenteren, eerst de taallogica van morele oordelen. De uitspraak “A moet X [niet]…. doen” houdt een veralgemening in (“in A’s situatie moet iedereen/niemand X….doen”) en een voorschrift (“doe ….X in A's situatie [niet]!”). Men kan dus een dergelijk oordeel allen zuiver vellen, als men bereid is zichzelf daarnaar te richten. Daarmee kan de houdbaarheid van morele oordelen getoetst worden: Zou ik, als ik mij in de positie van A zou bevinden, eveneens oordelen, dat ik X [niet] ….moet doen? Hare beschrijft de rolwisseling nader: de handelende persoon moet zich niet voorstellen hoe hij met zijn eigen eigenschappen, wensen en aversies zou handelen, maar met die van de ander en in zijn plaats. Derden zouden daarom niet in de aanvoegende wijs moeten vragen – “wat zou jij zeggen/voelen/denken als jij je in zijn plaats zou bevinden?” -, maar:[104]
Aanhalingsteken openen
Wat zeg jij over dit hypothetische geval, waarin jij je in de positie van de betrokkene bevindt?
Aanhalingsteken sluiten
John Rawls introduceerde met zijn A Theory of Justice in 1971 een hedendaagse egalitaire verdragstheorie. In een gedachte-experiment legde hij een verband tussen het door de regel verlangde zich verplaatsen in de belangenpositie van de in het eigen handelen betrokken persoon, en een voor iedereen gelijke uitgangssituatie (original position): daarin was voor iedereen de eigen toekomstige maatschappelijke positie en die van alle anderen geheel onbekend (Sluier van onwetendheid), terwijl de mogelijke regels en wetten van de maatschappelijke wel bekend waren. Dan zou, volgens Rawls, iedereen de rechtvaardigheidsprincipes kiezen, die een ideaal evenwicht tussen individuele en algemene belangen teweeg zouden kunnen brengen.[105]
Amitai Etzioni, een belangrijke vertegenwoordiger van het communitarisme, betrok de Gulden Regel op de maatschappelijke orde, waarvoor het individu verantwoordelijk is en formuleerde dat als volgt: “Respecteer en bescherm de morele orde van de maatschappij evenzeer, als je wilt dat de maatschappij jouw autonomie respecteert en beschermt.”[106]
Hans-Ulrich Hoche schaarde zich in 1978 achter Hare: de regel moet niet veronderstellen dat de eigen wensen even zwaar wegen als die van anderen, maar moet rekening houden met hun wensen, belangen en behoeften. Hij stelde daarom de volgende formulering voor:[107]
Aanhalingsteken openen
Behandel iedereen, zoals je zelf in zijn plaats behandeld zou willen worden.
Aanhalingsteken sluiten
Hares vragende vorm plaatst de handelende persoon voor de feitelijke situatie van de andere en maakt zijn concrete beslissing mogelijk, waarmee hij zich voor dit geval vastlegt. De in de aanvoegende wijs geformuleerde vragen legde voor het omstreden individuele geval irrelevante toepassing van de regel bloot. Ook twee bezwaren van Kant – zijn voorbeelden van de rechter en de misantroop – berustten op een soortgelijke onjuiste interpretatie. De juist toegepaste regel zet zeer duidelijk “verschuldigde plichten“ tegen de “liefdesplichten“ af.[108] Hoche stelde daarom in 1992 een veralgemeende versie voor van de regel:[109]
Aanhalingsteken openen
Als ik wil dat niemand in de ene of de andere situatie zus of zo handelt, ben ik moreel verplicht in de ene of de andere situatie ook niet zus of zo te handelen.
Aanhalingsteken sluiten
Deze formulering is slechts een “deontische reconstructie” van de van Thales en Pittakos overgeleverde oudste westerse voorbeelden van de regel. Het voordeel dat deze formulering biedt is dat zij “slechts het gedrag op zich beoordeelt, volstrekt onafhankelijk van ten opzichte van wie het plaatsvindt en of het misschien louter het gedrag van de ander bij en tegen zichzelf is.”[110] Daardoor is zij ook toe te passen op de plichten tegenover zichzelf en kan daarmee Kants derde bezwaar ontkracht worden.[111]
Hans Kelsen zag de Gulden Regel, net als het suum-cuique-principe (ieder het zijne) en het talionprincipe (oog om oog, tand om tand), als een inhoudsloze formulering van rechtvaardigheid. Hij beschouwde de Gulden Regel als het grondbeginsel om andere geen leed aan te doen, maar juist plezier te doen. Als een zodanig grondbeginsel moet het principe noodzakelijkerwijs elke rechtsorde en elk moraalsysteem opheffen. Dan zouden misdadigers niet meer gestraft mogen worden, omdat niemand graag gestraft wordt. De Gulden Regel kan dan alleen nog zin hebben, als hij objectiever opgevat zou worden en wel zo, dat men zich ten opzichte van anderen zo moet gedragen, zoals hij zich binnen een geordend systeem ook ten opzichte van mij moet gedragen. Dat zou van de Gulden Regel echter een categorische imperatief maken.[112] Net als de categorische imperatief zou, volgens de opvatting van Kelse, ook de Gulden Regel aangewezen zijn op een al bestaande rechts- en zedelijkheidsorde en zou die alleen kunnen bevestigen, maar niet nader omschrijven. De uitspraken van de Gulden Regel zouden dan uiteindelijk betekenen dat men zich aan de bestaande orde moet houden.[113]