De Hyppolituskerk is groot en misschien daardoor miet zonder welbehagen. De meeste kerkjes in dorpen of net daarbuiten staan iets in de hoogte: op een terp. Roomse handen hebben ze gebouwd, die van de reformatie hebben ze onderhouden. Rondom de kerkjes gaan de eindeloze akkers naar de horizon, daarboven hangt de hemel. Tussen aarde en hemel – een ruimte als een kathedraal, zoals dat wel eens is beschreven – zijn de kerkjes heel klein, schuilkerkjes voor de macht van de eeuwigheid. Ik loop er graag omheen, het meest geboeid door de stenen; hun huid is in eeuwen verruwd, maar dat geeft ze iets teders. De enkele Groninger die buiten komt, tref je rond de kerk. En hij spreekt altijd dezelfde zin uit: “Ik heb de koster vanmorgen nog gezien”. Na negen dichte kerkjes kreeg ik een beeld van een koster: een wat schuwe man, die heel af en toe zijn huis verlaat, zich tegen de muren onzichtbaar maakt en allang de kerk niet meer in durft, want dan kijkt God hem aan of weg.
In het ook al zo lieflijke dorp Visvliet vond ik een mooi restaurant waar - denk ik - stilte op de kaart staat, de sleutel. Ik kon de ertegenover liggende kerk in. De deur ging langzaam open, alsof hij jaren gesloten was geweest en daar stond ik in de kerk. God was niet thuis. Dat zag ik aan de kale muren, de strenge banken – machtig erboven uit de herenbank – de preekstoel die naar de taal van de Statenbijbel is gevormd. Ik rook Gods afwezigheid in de oude geur van stenen. Ik stond daar en wist niet wat ik moest doen. Ik dacht aan de andere kerkjes die van binnen even kaal en streng en leeg zijn. De kerkjes zijn buitenkant geworden. Loop er omheen, maar ga er niet binnen.
Bij een enkele kerk denk ik dat het eens een uithof van het grote cisterciënzerklooster van Aduard was. De broeders die ver van het klooster werkten, pleegden hier hun gebeden. In de zeer oude oostgevel is de raamverdeling van de vroege cisterciënzerarchitectuur te zien. Het klooster zelf is helemaal verdwenen; alleen wat de ziekenzaal was, staat er nog. Het is nu een protestantse kerk, waarin ook het eikenhout van de echte leer heerst. Buiten denk ik aan de paar duizend monniken die hier hebben gebeden, gevast en geleden. Allemaal voor niets. Ze hebben alleen de stilte achtergelaten.
Midden in dat Groningse land (dat het mooiste stukje van Nederland is) dacht ik plotseling aan de schrijver Garmt Stuiveling. Ik moest niet ver van zijn geboortedorp, Stroobos, zijn. Hij heeft zijn hele leven zijn blik in de verte uit zijn jeugd gehouden. Hij keek altijd ver om zich heen, stad en land over. “Stuiveling is een soort turf, een slecht soort ook”, zei een collega van hem op een college. Ik denk ook even aan hem. Hij ligt hier ergens onder de eindeloze hemel begraven. Het is hier ook een goed land om dood te zijn.
Kees Fens.
(Vond het een ‘stemmig stukkie’.