Isabel Hoving, Hester Dibbits en Marlou Schrover schreef:
Slavernij en Zwarte Piet
In de eerste plaats verschafte die een aanvullende legitimatie om Zwarte Piet, racisme en slavernij op een lijn te stellen. Van alle drie konden zwarten zich als slachtoffers beschouwen. Zo antwoordde Barryl Biekman bijvoorbeeld op de vraag of er zonder slavernij geen racisme zou bestaan hebben:
Misschien, maar een deel van het racisme van nu stamt in elk geval uit de slavernij. Het Sint Nicolaas-feest bestaat nog steeds! Dat komt uit die periode. Een witte baas en zijn lollige, vieze, domme, krompratende zwarte knechten.
Vijf december is een hel voor zwarte kinderen. Ze worden op straat zwarte Piet genoemd. De beelden die met het feest worden gecreëerd zijn racistisch. Het kwaad uit de periode van slavernij is nog steeds niet ten volle bestreden.’4
Oproepen tot een algehele boycot van het feest achtte zij niet opportuun. Zij wil ‘de Nederlanders alleen bewust maken van de als kwetsend en racistisch ervaren elementen ervan. Eigenlijk is het feest niet meer van deze tijd’ (Haagsche Courant, 22 november 2003).
‘actie te ondernemen ten aanzien van tradities die elementen bevatten die racisme bevorderen’, zoals het Nederlandse sinterklaasfeest met zijn Zwarte Piet, en daarmee ‘schade toebrengen’ aan de zwart-Afrikaanse gemeenschap. Immers, aldus Celestine Robles van een van de deelnemende organisaties,
het sinterklaasfeest werkt een negatieve beeldvorming in de hand bij kinderen ten aanzien van zwarte Nederlanders van Afrikaanse afkomst, te weten de projectie van een superieur wit ‘ras’ uitgedrukt als de goedheiligman Sint Nicolaas tegenover een inferieur zwart ‘ras’ neergezet als de domme zwarte hulppiet, waardoor de superioriteit versus inferioriteit gedachte hoogtij viert. We moeten onze kinderen beschermen tegen dit kwalijke feest. (zie vorige noot)
Deze op besluitvorming gerichte acties, op tot nu toe in ieder geval nog nationaal niveau, vormen het voorlopig hoogtepunt van een beweging tot
beïnvloeding van de publieke opinie die al begon eind jaren zestig.
Verzet tegen Zwarte Piet in de jaren 1960 en 1970
De beweging werd geïnitieerd door witte mensen.
1930 zwarten en de figuur van Zwarte Piet direct met elkaar geassocieerd. De Surinamer Frans Vroom herinnerde zich:
Liep je bijvoorbeeld door een volksbuurt,
dan kreeg je al snel een hele sliert kinderen achter je aan, die allemaal schreeuwden: Zwarte Piet, Zwarte Piet. Soms gooiden ze met stenen
De Surinamer Humphrey Mijnals, die in de jaren 1950 speelde voor de Utrechtse voetbalclub Elinkwijk, had in het algemeen geen last van discriminatie. ‘
Alleen rond Sinterklaas was het moeilijk. Dan dachten kinderen dat je Zwarte Piet was.’7 Begin jaren zestig waren er in Amsterdam weinig Surinamers. ‘Nou, tegen Sinterklaas was het verschrikkelijk. Zwarte Piet noemden ze je dan als kind’ (Essed 1988, 57). Blakely stelt echter:
Some Surinamer men (...) before the recent influx recall how they would good-naturedly smile and play the role when during the period of the Sinterklaas celebration Dutch children would take them to be Zwarte Piet. (Blakely 1993, 48).
Schaarse gegevens als deze laten zien wat er gebeurt als de figuur van Zwarte Piet het kader bepaalt van de relatie tussen zwarten en witten: een ongemakkelijkheid, die aan beide kanten nu eens minder, dan meer nadrukkelijk benoemd en erkend werd.
In de loop van de jaren zestig kregen de houdingen van zwarten en witten duidelijker contouren, zeker onder witten. Een vroeg voorbeeld van het besef dat in de figuur van Zwarte Piet racistische denkbeelden doorgegeven worden is een interview met M.C. Grünbauer over haar, duidelijk op het ‘witte fietsenplan’ van Provo geïnspireerde ‘Witte Pietenplan’ in Panorama in 1968 (De Vries 1966, 26-28). Het was volgens haar ‘niet langer verantwoord ons aloude Sint-Nicolaasfeest in de huidige vorm te blijven vieren. Graag zou ik de Zwarte Pieten veranderd zien in Witte Pieten.’
Terwijl de slavernij al meer dan een eeuw is afgeschaft blijven wij maar doorsukkelen met de oude traditie de neger als slaaf voor te stellen. (...) De machtige Blanke Meester zit op zijn schimmel of op zijn troon. Piet moet lopen of zware zakken sjouwen en hij mag naast de troon op een krukje zitten aan de voeten van zijn baas.
Sinterklaas komt uit Spanje, toch spreekt hij vloeiend Nederlands. ‘Maar hij wordt vergezeld door Pieten die hier ook al eeuwen komen en nog nooit behoorlijk Nederlands hebben leren spreken. Dus moeten ze wel heel dom zijn!’ Uit een sinterklaasboekje lichtte zij de zin: ‘“
Die [Pieten] hadden wel griezelige zwarte gezichten, maar ze lachten toch vriendelijk.” Hieruit volgt dat iedere neger een griezelig zwart gezicht heeft.’ Met Witte Pieten
benadelen we niemand. Wel doen we heel velen er een enorm plezier mee, want
in wezen stellen wij met Zwarte Piet een neger voor aan onze kinderen en wel op een manier, die hun hun hele leven bijblijft. Wij laten hen pret beleven ten koste van een ander ras.
Verzet tegen Zwarte Piet vanaf de jaren 1980
In Suriname had men, zoals ook Clark Accord schreef, net zo hartstochtelijk het feest [gevierd] van de goedheiligman en zijn zwarte, domme en krom pratende knecht als hier. Liedjes met teksten als ‘
Ook al ben ik zwart als roet, ik meen het wel goed’ zongen we als zwarte kindertjes uit volle borst mee, zonder dat de betekenis van de woorden tot ons doordrong. (Het Parool, 30 november 2002; vgl. Roemer 1998, 164, Leisius 1998, 197-198)
De huidige rolverdeling in het Sinterklaasfeest is beschamend, omdat zij het superioriteitsgevoel van blanke Nederlanders symboliseert, waarbij voor de zwarte mensen de positie wordt benadrukt die zij al eeuwenlang in onze samenleving hebben ingenomen: de knecht, die ondergeschikt is aan de blanke meester en de slechte baantjes moet opknappen. Zo is eeuwenlang het Sinterklaasfeest gevierd met Sint Nicolaas als het symbool van het goede, het blanke en Zwarte Piet als het symbool van het kwade, het slechte. Die racistische verhouding is heden ten dage nog net zo actueel.
Voor Nederlanders is Sinterklaas vanzelfsprekend een witte man.
Terwijl Zwarte Piet de man blijft met de grote dikke lippen, met overdreven grote oorbellen en zo zwart mogelijk geschminkt. Kortom: een domme, clowneske figuur, die zich geen houding weet te geven in onze ‘beschaafde’ blanke samenleving. Daarbij wordt zelfs een namaak-Surinaams accent niet geschuwd. Geen wonder dat veel Surinamers rond Sinterklaastijd voor Zwarte Piet worden uitgescholden. De witte kinderen wordt het blanke meerderwaardigheidsgevoel er als met de paplepel ingegoten. Dat kan nooit de bedoeling zijn van het Sinterklaasfeest. (Weekkrant Suriname, 21 november 1981)
In de jaren daarna gingen de protesten tegen Zwarte Piet onverminderd door. In de brochure ‘Sinterklaas is een racist’ pleitte de Beweging Surinaams Links er in 1986 voor om alleen een feest met de kinderen te vieren, zonder de figuren van Sinterklaas en Zwarte Piet (Hassankhan 1988, 49; Trouw, 22 november 1986). Omstreeks 1987 voerde de groep ‘Racisme is overal - stop waar je het tegenkomt’ uit Berg en Dal, mogelijk omdat daar het Afrikamuseum is gevestigd, actie onder de slogan ‘Witte Klaas en Zwarte Piet? Dat is geen feest’, omdat een witte de baas speelt over zwarten.10 In 1988 verscheen van Rahina Hassankhan, actief in de Surinaamse vrouwenbeweging en bestuurslid van de Landelijke Vereniging Surinamers in Nederland, het boekje Al is hij zo wart als roet... Daarin betoogde zij dat het sinterklaasfeest in de loop der eeuwen voortdurend veranderd is,
dat Sinterklaas pas sinds de tijd van de slavernij een negerslaaf als knecht heeft en dat er, juist gezien het aanpassingsvermogen van het feest aan de tijdsomstandigheden, voor Nederlanders geen reden is om het feest niet opnieuw te veranderen nu ‘racistische vooroordelen over de zwarte mens’ daardoor worden overgedragen (Hassankhan 1988, 50).
Waren de eventuele effecten van deze acties slechts zichtbaar op kleinschalig niveau of in besloten kring, dat werd anders toen tijdens de intocht van Sinterklaas in Amsterdam in 1993 voor het eerst de norm werd doorbroken dat Piet alleen maar zwart kan zijn.
Er liepen daar nu ook Pieten rond met gezichten geschminkt in andere kleuren, weliswaar niet in wit en bovendien naast ‘gewone’ zwarte Pieten. Volgens de Volkskrant vond tweederde van de ondervraagde Amsterdammers van Surinaamse en Antilliaanse komaf dat een ‘goed idee’, bij de witte toeschouwers lag dat op ongeveer de helft (de Volkskrant, 4 december 1993).
Hassankhan werd er daarin opnieuw op gewezen dat bij de uitbeelding van de knecht van Sinterklaas de tijd sinds de slavernij stil was blijven staan.
Anno 1996 praat Piet nog steeds gebroken, dom Nederlands, vaak met een Surinaams accent terwijl Sint zeer deftig spreekt. Hij heeft alle duidelijke karakteristieken van een Zwarte man en vrouw en is een karikatuur daarvan; de ‘neger’ met de grote oorbellen, ‘dikke’ lippen en kroeshaar; een domme onderdanige clown, die allerlei fratsen uithaalt en de intelligente witte man bedient. De slaaf van de witte Sint die verheven is boven zijn knecht. Deze beelden zijn niet typisch voor het Sinterklaasfeest, deze stereotypen en vooroordelen bestaan. Racisme als systeem van betekenissen en macht brengt het lichaam van de ander vaak naar voren als object van belachelijkheid. (...)
De meerderheid van de Nederlandse samenleving denkt nog steeds dat zij geen plezier kan maken en hebben met Sinterklaas zonder dat er een racistische karikatuur van de zwarte man en vrouw in de buurt rondhuppelt. Het zou geen echte Sinterklaas zijn, zoals de meester zonder slaaf geen echte meester is. De Blanke/Zwarte verhouding wordt op een vanzelfsprekende wijze gepresenteerd als een meester/knecht verhouding. Dit wordt niet als racistisch onderkend. (...) Wij streven ernaar dat het fenomeen Zwarte Piet binnen het Sinterklaasfeest wordt geschrapt.
Alle auteurs zijn het erover eens dat
het sinterklaasfeest ‘het symbool (is) van een samenleving die onder het mom van een kinderfeest van jongs af aan leert dat de baas wit en de knecht zwart’ is en daarom ‘in deze vorm beledigend en niet langer verdedigbaar’ is (Van Dijk 1998, 124; Nederveen Pieterse 1998, 43). Kern van het boek is de, uitvoerig beargumenteerde, stelling dat dit eenvoudig zo is, en
dat witte Nederlanders door een combinatie van onwetendheid en ongevoeligheid deze waarheid weigeren te aanvaarden. Was dat wel het geval geweest, dan zouden zij de figuur van Zwarte Piet onverwijld uit de rituele inkleding van het sinterklaasfeest geschrapt hebben.
Het onbegrip van witte Nederlanders voor het protest tegen Zwarte Piet
In februari 2003 ging de Surinaamse actrice Gerda Havertong naar een televisiestudio om deel te nemen aan opnames voor een quiz. Tevoren werd het publiek opgewarmd met muziek.
Op het moment dat Havertong binnenkwam, werd ‘Zie ginds komt de stoomboot’ gespeeld. Toen Havertong zich hierover verontwaardigd toonde - ‘Hoe moet ik dat lied los zien van mij?’, bleek het publiek daar geen begrip voor te hebben. De programmamakers noemden het ‘een ongelukkige samenloop van omstandigheden’ (Algemeen Dagblad, 11 februari 2003). Het was een variant op het naroepen als Zwarte Piet dat zwarten al decennia achtervolgt. Dat wordt door hen onverminderd als kwetsend ervaren. Barryl Biekman zei daarbij telkens een ‘pijnscheut’ te voelen (Haagsche Courant, 22 februari 2003). ‘Je moet me er niet mee vergelijken, dat vind ik niet leuk’, zei ook het twaalfjarige meisje Warsha, toen haar gevraagd werd of zij even uit de stoet gestapt was tijdens de intocht van Sinterklaas (Hassankhan 1988, 51). Celestine Raalte (1998) schreef over dit naroepen en de effecten daarvan op haar dochter en kleindochter een indringende bijdrage in de bundel van Helder en Gravenberch. Het voormalige Tweede-Kamerlid Tara Singh Varma stelde vast: ‘
Witte mensen beseffen gewoon niet wat het voor ons betekent’ (De Bas 2003, 131).
De bereidheid om zich alleen al in deze gevoelens in te leven blijkt onder autochtone Nederlanders vrijwel afwezig. Publieke uitlatingen als van de, ten aanzien van het sinterklaasfeest zeer veranderingsgezinde, publicist Jan de Bas - het is ‘een ontkenning van iemands persoonlijke geschiedenis wanneer zo'n gevoel wordt tegengesproken’ (De Bas 1999, 22) - zijn zeldzaam.
Men beschouwt dat gevoel eenvoudig als onterecht en misplaatst. Ook de termen waarin zwarten, en sommige witten, die gevoelens verwoorden en verantwoorden, en dat al zo lang, worden niet aanvaard. ‘Maar liefst 96 procent van de Nederlanders ziet het Sinterklaasfeest als een oude traditie die niets met discriminatie en onderdrukking te maken heeft,’ vond het NIPO in 1998 (De Telegraaf, 3 december 1998). Al in 1986 vond 95 procent ‘dat Zwarte Piet in zijn huidige verschijningsvorm mag blijven’ (Trouw, 22 november 1986). Een primaire, eveneens op gevoelens gebaseerde, ontkenning overheerst daarbij (Gravenberch 1998a, 15; Van Dijk 1998). ‘Je moet het Sinterklaasfeest niet in de sfeer trekken van een politiek gemodder over huidskleuren. Je moet elkaar niet op dat soort dingen beoordelen. Dat kan helemaal niet!’ zei tv-hoofdpiet Piet Römer al in 1982. ‘Als ze denken dat Piet discriminerend is, moet..., ach, als je dat niet snapt, valt er weinig uit te leggen,’ zei tv-Sinterklaas Bram van der Vlugt hem na in 1998 (BN/De Stem, 5 december 1998).
Wordt hier een discussie als op zich al onbestaanbaar ontweken, elders wordt het debat wel degelijk gevoerd, met name via ingezonden brieven of opiniërende stukken in kranten en de laatste jaren ook op discussiefora op internetsites.
De kritiek op Zwarte Piet blijkt bij velen een zeer emotionele snaar te raken.
Het gaat in deze visie niet alleen om het behoud van Zwarte Piet, maar ook om de verdediging daarvan, voortkomend uit een gevoel van bedreiging door ‘anderen’.21 In deze emotioneel geladen context wordt Zwarte Piet niet alleen gezien als een traditie, maar ook opgewaardeerd als een constitutief deel van de ‘Nederlandse traditie’. In plaats van toe te geven aan van ‘buitenaf’ komende veranderingsprocessen, wil men zich ten aanzien van zoiets wezenlijks juist sterk en compromisloos tonen. Zwarte Piet ‘hoort bij het Hollandse Sinterklaasfeest; aan die goede Hollandse gewoonte mogen we gerust blijven vasthouden. Het is goed ons niet door anderen te laten beïnvloeden!
Besluit: een voortdurende impasse
Er kan na het voorafgaande
geen twijfel over bestaan dat de figuur van Zwarte Piet zwarten in Nederland al verscheidene decennia ‘dwars zit’, om aan te haken bij de eerder genoemde woorden van voormalig minister Van Boxtel. En evenmin dat er een discrepantie bestaat tussen die ervaring en de ‘bedoeling’ van degenen die Zwarte Piet een onderdeel willen laten blijven van het sinterklaasfeest. In de optiek van zwarten die zich daarover uitlaten - er zijn ook zwarten die geen moeite hebben met Piet - continueert Zwarte Piet, ieder jaar opnieuw, de vernedering door witten die begonnen is in de tijd van de slavernij. Dat blijkt uit de tussen hem en Sinterklaas bestaande meester-knechtverhouding en het karakteristieke rolpatroon van Piet dat daardoor gedefinieerd is. Zij voelen zich daardoor, kan men zeggen, ‘op symbolisch vlak buitengesloten’ in de Nederlandse samenleving en vernederd omdat zij ‘niet in alle opzichten als “volledige” mensen worden gezien’ (Koenis 2002, 74, 76).
Ook zij stelt haar hoop op de dag waarop eens de Nederlandse cultuur ‘wakes up sick of the pain. Only then - perhaps - can this tradition be relinquished, wholeheartedly;
not suppressed by moralism, but rejected for the pain it causes to all its members’ (Bal 2004, 146).
Laten enkelingen, die zich eigen hebben gemaakt dat een verandering niet per definitie een verlies betekent, in hun eigen, directe omgeving een onnadrukkelijk voorbeeld geven en blijmoedig afscheid nemen van Zwarte Piet - om juist daardoor bij te dragen aan de geleidelijke groei naar een werkelijk voor iedereen leuk sinterklaasfeest.
Bron: Cultuur en migratie in Nederland. Veranderingen van het alledaagse 1950-2000