Ik ben er dus sinds vandaag (hoe en wanneer ik er ben gekomen is een ander onderwerp) en… DE ZON GAAT ONDER!!!.
‘Zon’ zeg ik zomaar. Als Adam sprak ik natuurlijk geen Nederlands. Hoe zou ik als Adam datgene, dat wij nu ‘zon’ noemen, hebben aangeduid? Nog erger: kón ik al praten? Van wie had ik dat geleerd? Niet van mijn ouders, want die had ik niet. Althans: geen menselijke ouders, want ik ben zelf de eerste mens. Had ik al een woord voor die vurige schijf aan de hemel?
Had ik kleren aan? Ik denk van niet. Nauwelijks de ‘tijd’ gehad om ze te maken. Waarvan had ik ze trouwens moeten maken? Hoe zou ik het hem geflikt hebben? Nergens een lap stof te vinden en naald en draad ook al niet. Of hebben we een boomblad voorgebonden? Waarmee trouwens? En: waaróm iets voorbinden en niet achterbinden of opzetten?
En… nou zakt ineens die stralende schijf achter de bergen en het wordt in rap tempo donker. En fris. Als je verder naar het Zuiden gaat duurt de schemering steeds korter omdat je daar met grotere snelheid naar het Oosten beweegt. Maar dat wist ik toen natuurlijk nog niet.
Het lijkt me, nu ik dit voor de eerste keer meemaak toch een wat benauwende gebeurtenis. Ik onderga het als een niet zo’n prettig ‘natuurverschijnsel’. Het ene moment is het licht, het volgende moment is het licht weg en is het aardedonker.
Dat die zon na een ‘tijdje’ weer aan de andere kant te voorschijn komt weet ik nog niet, want dat heb ik nog nooit meegemaakt. Eva evenmin.
En er een gesprek over beginnen lijkt me ook al niet mogelijk want nogmaals… kan ik al praten? Kan Eva het al? Spreken we ‘toevallig’ dezelfde taal? Die vurige schijf heet tegenwoordig ook niet bij iedereen ‘zon’!
Wat ga ik nu doen? Naar huis? Tanden poetsen en naar bed? Steek ik een vuurtje aan om een beetje te weten waar ik loop? Misschien heb ik overdag een grot of een hol gezien, zoek ik dat op de tast op en kruip er samen met Eva in. Ik vraag me wel af of ik de slaap kan vatten. Ik ben er nog maar net en… is dit al meteen het einde?
Maar… tot m’n grote opluchting wordt het na een ‘tijdje’ weer licht en… de gloeiende schijf komt boven de rand van de wereld tevoorschijn en klimt langzaam naar boven. En wéér zakt hij omlaag en wéér verdwijnt hij achter de bergen en wéér wordt het donker.
En omdat ik niet achterlijk ben heb ik het nog vrij gauw door dat het zo ‘altijd’ gaat: het wordt licht en het wordt donker. En daar kan ik rekening mee houden en dus lekker slapen ’s nachts, want dat is wel nodig.
En overdag kunnen we ons kostje bij elkaar scharrelen. Als de winkels open zijn. Haha!
Hoe lang het heeft geduurd voor we (Eva en ik) die twee toestanden (dag en nacht) met een woord konden aanduiden weet ik niet. Ik denk dat het als volgt is gegaan.
Op 'n dag strekte Eva haar hand met gestrekte wijsvinger uit in de richting van de zon en, Adam aankijkend bracht ze 'n geluid uit: 'wrosj' (of iets anders). Adam kijkt met een uitdrukking van 'Wat nu weer'? Eva herhaalt wat ze deed. Adam kijkt hetzelfde. Na een paar maal wijst hij - met een wat verwachtingsvolle blijk in zijn ogen - ook de zon aan en zegt: 'wrosj' en Eva lacht. En die dag hebben ze het spelletje tig keer herhaald en tig keer gelachen. Zoals kleine kinderen heden ten dage nog leren om aan bepaalde dingen bepaalde geluiden te verbinden.
En zo is Eva de eerste zonnewijzer geworden.
In ieder geval... het is Adam en Eva een keer gelukt en wij, hier in Nederland spreken van ‘zon’, ‘dag’ en ‘nacht’. Andere mensen gebruiken weer andere woorden voor dezelfde verschijnselen, maar dat heeft ook weer zo zijn verklaring.
Er is natuurlijk veel meer over uit te weiden, over hoe het eraan toegegaan moet zijn op die eerste dag en de hoeveel dagen, jaren erna. Maar ik hoop een helpende hand geboden te hebben opdat iedereen, drijvend op zijn/haar eigen fantasie, kan komen tot een voorstelling van hoe primitief ons ‘tijd’sbegrip is begonnen.
Tussen haakjes: ( ¶ 'De eerste dag' is een vrij zinnige (tamelijk verstandige) weergave van de eerste dag van Adam en Eva.)
En denk erom… vooral veel wegstrepen van wat we nu weten en hebben en waaraan we nu zó gewend zijn, dat we het allemaal ‘de gewoonste zaak van de wereld vinden’. Tóen wisten en hadden we dat allemaal nog niet. Je moet bijna alles wegstrepen. Denk ik.
(Wordt vervolgd.)
Groeten.
Fons.