KOM NIET AAN DE VRIJHEID VAN MENINGSUITING!

Sinds de moord op de schrijver en cineast Theo van Gogh gaan er vanuit de politiek en de media meer stemmen op om het recht op vrijheid van meningsuiting in te perken. CDA minister Donner heeft reeds een poging gedaan door het vergeten artikel 147 uit het wetboek voor strafrecht weer op te graven. Donner wilde hiermee godslastering aanpakken en gelovigen beschermen tegen belediging. Gelukkig lijkt het gezonde verstand te zegevieren. Donner heeft na een golf van kritiek, afstand genomen van zijn voorstel, en de meerderheid in de kamer wil het artikel zelfs helemaal schrappen. Maar veel leden van christelijke partijen als SGP, Christenunie, CDA en organisaties als de ‘Bond tegen het vloeken’ willen deze maatregelen er wel graag doorgedrukt zien.
Het consequent toepassen van artikel 147 zal echter onmogelijk zijn zonder bepaalde groepen in de samenleving te discrimineren. Een vrij grote minderheid in Nederland is ongelovig. Zowel de Bijbel als de Koran bevatten vele passages (bijna iedere bladzijde) die door ongelovigen als uiterst beledigend kunnen worden opgevat.
Enkele voorbeelden uit de Koran.
2-24. Doch, indien gij het niet kunt doen - en gij zult het nimmer kunnen doen - wacht u dan voor het Vuur, dat voor de ongelovigen is bereid, welks brandstof mensen en stenen zijn.
9-73. O profeet, strijd tegen de ongelovigen en de huichelaars. En wees streng jegens hen. Hun tehuis is de hel en deze is een boze bestemming.
9-123. O, gij die gelooft, bestrijdt de ongelovigen die in uw nabijheid zijn en laat hen hardheid in u vinden en weet, dat Allah met de godvruchtigen is.
66-9. O profeet, strijd tegen de ongelovigen en de huichelaars en wees streng tegen hen. Hun woning is de hel en dit is een kwade bestemming!
98.6 Voorwaar, de ongelovigen onder de mensen van het boek (Joden en Christenen) en de afgodendienaren zullen in het vuur der hel geworpen worden. Zij zijn de slechtsten der schepselen.

De bijbel schetst een identiek beeld van de ongelovige. Ik vraag mij daarom af of de religieuze politici ook zo consequent zullen zijn hun eigen bijbel te censureren, en bovenal de Koran te verbieden, om daarmee ongelovigen te beschermen tegen de bedreigingen en beledigingen uit deze boeken, of in ieder geval imams die deze verzen citeren het land uit te zetten. Dit geldt uiteraard ook voor bijbel en koranverzen die als beledigend kunnen worden opgevat door homoseksuelen, geëmancipeerde vrouwen, polytheïsten en joden.
Interessant is ook de vraag of men rekening gaat houden met de satanisten. Sommige satanisten aanbidden Satan als hun God. Zowel Bijbel als Koran zijn voor een groot gedeelte gebaseerd op het beledigen en demoniseren van de God der satanisten. Vindt men dat Satanslastering óók strafbaar moet worden gesteld, of wil men de gevestigde monotheïstische religies een voorkeursbehandeling geven?
Is het trouwens überhaupt mogelijk om te bepalen wanneer de grens overschreden wordt? Of een opmerking als beledigend wordt opgevat, hangt erg af van het vermogen tot relativering en incassering van de ontvanger maar hangt vooral af van hetgeen men in de maatschappij als algemeen geaccepteerd beschouwd. Er zijn mensen die al beledigd zijn zodra men zegt dat Allah niet bestaat. Mag de atheïst of agnost niet voor haar/zijn overtuiging uitkomen?
Hoe verschillend de perceptie van meningen kan zijn, wordt duidelijk bij het lezen van de drie citaten hieronder. De bovenste van de onderstaande citaten is afkomstig uit het boek ‘The moral values of the Qur’an’ van de islamitische fundamentalist Harun Yahya. In de daarop volgende citaten heb ik telkens twee woorden vervangen. Bij het lezen van deze citaten zullen veel mensen bij zichzelf opmerken dat zij deze verschillend ervaren.

‘The members of a profane society are, in the main, rude, uncaring and inconsiderate. The reason for this is the egoism of the unbelievers. They all think of their own benefit. Others have no importance for them.’

‘The members of an islamic society are, in the main, rude, uncaring and inconsiderate. The reason for this is the egoism of the muslims. They all think of their own benefit. Others have no importance for them.’

‘The members of a jewish society are, in the main, rude, uncaring and inconsiderate. The reason for this is the egoism of the jews. They all think of their own benefit. Others have no importance for them.’

De voorspelling luidt dat de meeste mensen aan het bovenste citaat de minste aanstoot nemen. Dit komtomdat discriminerende teksten over ongelovigen reeds duizenden jaren zijn gescandeerd door priesters en profeten, waardoor men er aan gewend is geraakt. Het meldpunt voor discriminatie op het internet zal er niets aan doen.
Bij het tweede citaat zullen er mensen gaan klagen dat de schrijver van het citaat alle moslims over één kam scheert en zich schuldig maakt aan racisme en islamofobie. Bij het derde citaat zou men velen kunnen wijsmaken dat het gaat om een gedeelte uit een engelse vertaling van Hitlers ‘Mein Kampf’. Zou men dit citaat op het internet verspreiden, dan is de kans groot dat het meldpunt voor discriminatie op internet’ actie onderneemt.
Deze drie citaten zijn echter strikt gezien even generaliserend en beledigend. Als de politici werkelijk besluiten om de vrijheid van meningsuiting aan banden te leggen, dan mag het niet zo zijn dat men verschil maakt tussen ongelovigen en mensen die de drie monotheïstische religies aanhangen. Als men dit consequent en eerlijk door zou willen voeren, dan zou men dus ook fundamentalistische propaganda, en zelfs boeken als de bijbel en de koran moeten verbieden.
Uiteraard is een verbod op de ‘heilige’ boeken niet aan te bevelen, alleen al vanwege de historische waarde van die boeken. Daarnaast is zo’n verbod onuitvoerbaar en werkt contraproductief. Ook de propaganda van fundamentalisten zou niet verboden moeten worden, zolang deze niet oproepen tot geweld, en daarmee komen we bij het punt waar de grenspalen kunnen worden geplaatst. Wanneer men oproept tot terrorisme, of terrorisme goedkeurt, is er geen sprake meer van vrijheid van meningsuiting, maar van bedreiging en opruiing. Conclusie is dat er niet getornd mag worden aan de vrijheid van meningsuiting, en dat men gewoon moet leren incasseren, relativeren en dat men de meningen van anderen zal moeten pareren met ijzersterke tegenargumenten. Dat is de enige weg.